Cognitieve fouten en effecten

Hieronder presenteer ik een lijst van enkele bekende cognitieve fouten, heuristieken en effecten waar we allemaal in zekere mate behept zijn met daarbij een compacte uitleg (lees ook dit, dit en dit). Ik gebruik vooral de Engelse termen omdat deze het vaakst gebruikt worden, ook in Nederlandstalige literatuur. Het kennen van deze fouten en heuristieken kan ons helpen om onszelf en anderen beter te begrijpen, om minder slachtoffer te worden door toedoen van deze fouten en neigingen en om een realistischere kijk op de werkelijkheid te ontwikkelen (lees ook dit, dit en dit).

  1. Availability heuristic (beschikbaarheidsheuristiek): Hoe gemakkelijker voorbeelden van een gebeurtenis je te binnen schieten (bijvoorbeeld een terroristische aanslag), hoe meer je geneigd bent om te denken dat dergelijke gebeurtenissen voor de hand liggen en vaak voorkomen (lees meer).
  2. Authority bias: De neiging om autoriteitsfiguren te geloven en gehoorzamen zelfs wanneer er aanwijzingen dat er iets mis is met wat zij zeggen (zie o.a. Milgram, 1961; lees meer).
  3. Anchoring effect: de neiging om onze schattingen te laten beïnvloeden door een aangereikte referentie, zelfs als deze referentie helemaal niet relevant is voor het onderwerp (lees meer).
  4. Backfire effect (terugslageffect): Wanneer mensen merken dat hun meest gekoesterde, maar niet juiste denkbeelden, worden bekritiseerd, kunnen ze nog minder open minded worden en kan hun (misplaatste) vertrouwen in deze denkbeelden nog sterker worden (lees meer).
  5. Belief bias (overtuigingsfout): Als mensen denken dat iets waar is, zijn ze meer geneigd om argumenten die die overtuiging ondersteunen als logisch te zien (ongeacht of ze logisch zijn.
  6. Bias blind spot: de neiging om te denken dat je zelf minder gevoelig bent voor biases dan andere mensen. 
  7. Choice architecture (keuze-architectuur): De manier waarop we keuzemogelijkheden presenteren, heeft een sterke invloed op hoe mensen kiezen (lees meer).
  8. Cognitieve dissonantie: Het verschijnsel dat een conflict tussen bepaalde overtuigingen aan de ene kant en bepaalde gedragingen of feiten aan de andere kant een psychologische spanning opwekt waar we vanaf willen. Meestal veranderen we niet onze overtuiging over de werkelijkheid maar verdraaien we (onbewust) onze herinnering of ons gedrag (lees meer).
  9. Confirmation bias (bevestigingsfout): We hebben de neiging om alleen te kijken naar bewijs dat onze hypothese ondersteunt. Ook merken we zulk bewijs eerder op (dit wordt selectieve perceptie genoemd) en onthouden we het beter (lees meer).
  10. Curse of knowledge (vloek van kennis): Als je eenmaal beschikt over bepaalde kennis kun je je niet meer goed kunt voorstellen hoe het is om die kennis niet te hebben (lees meer).
  11. Declinism (vervaldenken): De irrationele gedachte dat het systeem of de samenleving waarin je functioneert in verval is en dat instorting van dat systeem dreigt (lees meer)
  12. Dunning-Kruger effect: Het verschijnsel dat onwetende of incompetente mensen niet weten, en in zekere mate niet kunnen weten, hoe onwetend of incompetent ze zijn (lees meer).
  13. Effort heuristic (inspanningsheuristiek): De overtuiging dat als we ergens veel inspanning voor hebben geleverd dat wel veel waard moet zijn (lees meer).
  14. Endownment effect: de neiging om meer waarde toe te kennen aan spullen die we bezitten dan aan spullen die we niet bezitten (lees meer).
  15. Equality bias (gelijkheidsfout): Het verschijnsel dat, in de samenwerking, meer competente mensen de neiging hebben om mee te gaan met de zelfverzekerde onwetendheid van minder competente mensen (zie het Dunning-Kruger effect) door de oordelen van deze minder competente mensen even veel gewicht toe te kennen (lees meer).
  16. Existence bias: de neiging om het bestaan van iets te zien als een aanwijzing dat het iets goeds is (lees meer).
  17. Familiarity heuristic: Onze neiging om een voorkeur voor het bekende te hebben boven het minder bekende (lees meer).
  18. Fundamentele attributiefout: We onderschatten systematisch de invloed op ons gedrag van situaties, structuren en systemen en we overschatten systematisch de invloed van persoonlijke kenmerken op ons gedrag (lees meer).
  19. Hindsight bias: De te sterke neiging om, nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden, te denken dat de gebeurtenis voorspelbaar was.
  20. Hyperactive agency detection: Onze te sterke neiging om te veronderstellen dat er intentionele agenten achter gebeurtenissen zitten.
  21. IKEA-effect: De neiging om iets meer te waarderen als we het zelf hebben gemaakt (zoals het geval is bij een kastje van IKEA; zie o.a. Norton, et al., 2012; lees meer).
  22. Illusie van transparantie: de neiging om te overschatten hoe goed andere mensen onze mentale toestand kunnen aflezen aan ons gedrag en onze gezichtsuitdrukkingen (lees meer).
  23. Introspectie-illusie: de neiging om te veel vertrouwen in ons eigen vermogen om de oorzaken van onze gevoelens juist in te schatten (lees meer).
  24. Law of small numbers: de neiging om te snel conclusies trekken uit een te klein aantal gegevens (lees meer).
  25. Liking Gap: het verschijnsel dat de meeste mensen onderschatten hoe aardig anderen hen vinden na met hen gesproken te hebben (lees meer en meer).
  26. Longevity bias: de neiging om het feit dat iets al lang bestaat te zien als een aanwijzing dat het iets goed is (lees meer).
  27. Loss aversion: neiging om het belangrijker te vinden om te voorkomen dat we iets verliezen dan dat we iets van dezelfde waarde te winnen (lees meer).
  28. Mere exposure effect: de neiging om dingen die we kennen uit onze ervaring als beter te zien dan dingen die we niet of minder goed kennen uit onze eigen ervaring (lees meer).
  29. Motivated reasoning: bewust of onbewust redeneren vanuit je eigen belang (lees meer).
  30. Naïef realisme: Het (misplaatste) geloof dat de werkelijkheid precies zo is als we haar waarnemen (lees meer).
  31. Naturalness bias: de neiging om een voorkeur te hebben voor mensen die we zien als natuurlijk getalenteerd boven mensen die we zien als harde werkers (lees meer).
  32. Negativity bias (negativiteitsfout): Het verschijnsel dat we negatieve informatie gemakkelijker opmerken dan positieve informatie en dat we geneigd zijn om meer gewicht toe te kennen aan negatieve informatie dan aan positieve (lees meer).
  33. Overkill backfire effect (complexiteitsfout): De neiging om een redenering die moeilijk te begrijpen is en uit meer argumenten bestaat minder snel te geloven dan een redenering die gemakkelijker te begrijpen is en uit minder argumenten bestaat (zie Schwartz et al., 2007; lees meer).
  34. Parkinson’s law: de neiging om de beschikbare tijd voor een klus vol te maken (lees meer).
  35. Pessimism bias: De neiging om de kans te overschatten dat ons slechte dingen zullen overkomen (zie o.a. Menon et al., 2009; lees meer).
  36. Positivity bias: De neiging van (vooral) oudere mensen om positieve gebeurtenissen en informatie eerder op te merken dan negatieve en er sterker door te worden beïnvloed (lees meer).
  37. Progressiegeïnduceerde probleemverschuiving: als we progressie boeken in het oplossen van een bepaald probleem, en dit probleem dus minder vaak voorkomt, hebben we de onbewuste neiging om onze definitie van het probleem op te rekken (lees meer).
  38. Pygmalion effect: Het effect dat verwachtingen van docenten het presteren en de ontwikkeling van leerlingen onbewust beïnvloeden in de richting van de verwachting (lees meer).
  39. Reactance effect: Het verschijnsel dat we onze eigen autonomie proberen te beschermen door ons te verzetten tegen een boodschap waar iemand ons van wil overtuigen (lees meer).
  40. Rosy retrospection bias: De onrealistische neiging om het verleden als veel positiever te beoordelen dan het heden (zie Mitchell & Thompson, 1994) (lees meer).
  41. Representativeness heuristic: Gebeurtenissen worden als meer waarschijnlijk beoordeeld als ze lijken op het prototype van een gebeurtenis dan als ze daar minder op lijken (lees meer).
  42. Self-enhancement bias (zelfoverschattingsfout): Het verschijnsel dat mensen in de meeste culturen geloven dat zij superieur zijn aan de meeste anderen in hun groep (lees meer).
  43. Selffulfilling prophecy (zelfvervullende voorspelling): Voorspellingen of verwachtingen die gedrag zodanig beïnvloeden dat zij zichzelf waarmaken (lees meer).
  44. Self-serving bias: De neiging om het eigen gedrag te rechtvaardigen, onder andere door successen toe te schrijven aan eigen vaardigheden en capaciteiten en falen toe te schrijven aan externe factoren (zie o.a. Miller & Ross, 1975; lees meer).
  45. Spotlight effect: het verschijnsel dat we overschatten hoe sterk andere mensen ons opmerken en beoordelen (lees meer).
  46. Status quo bias: de overdreven neiging om de huidige situatie te beschouwen als goed en elke wijziging ten opzichte van de huidige situatie als belastend of verdacht (lees meer).
  47. Stereotype threat (stereotypebedreiging): Het verschijnsel dat het vragen aan mensen om hun etniciteit of geslacht te noemen in een beoordelingssituatie negatieve stereotypen over hun eigen etniciteit of geslacht kan activeren waardoor hun (test-)prestatie ondermijnd wordt (lees meer).
  48. Stereotypering: Het onterecht of overdreven toeschrijven van een eigenschap aan een groep mensen (lees meer).
  49. Zero-sum bias: de neiging om situaties te snel te zien als zero-sum. Zero-sum situaties zijn situaties waarin de winst van de ene persoon altijd gepaard gaat het verlies van de andere (lees meer).
  50. Zeggen-is-geloven effect: De neiging om. als we een conclusie of overtuiging hardop zeggen en herhalen, steeds meer te gaan geloven in de juistheid ervan (lees meer).

Laatste update: 28-07-2019

Meer over progressiegericht werken

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (33)
  • Bruikbaar (11)