ZelfdeterminatietheorieEén van de belangrijkste theoretische pijlers onder de progressiegerichte aanpak is de zelfdeterminatietheorie. De bevindingen uit zelfdeterminatietheorie zijn praktisch goed bruikbaar in veel contexten zoals de opvoeding, de schoolcontext, werk en leidinggeven en coachen en counseling. Veel mensen (zeker lezers van deze site) hebben al gehoord over de psychologische basisbehoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid, maar de zelfdeterminatietheorie omvat meer interessants. We merken vaak dat onze klanten en cursisten geïnteresseerd zijn om meer te leren over zelfdeterminatietheorie. Daarom geef ik hier wat meer uitleg. Daarbij baseer ik me vooral op het werk van Ed Deci en Richard Ryan en de website www.selfdeterminationtheory.org).

 

Zelfdeterminatietheorie richt zich op 6 hoofdonderwerpen. Deze worden hieronder kort besproken.

 

1. Intrinsieke motivatie. De minitheorie die gaat over intrinsieke motivatie heet Cognitive Evaluation Theory (CET). Van intrinsieke motivatie is sprake wanneer je iets doet puur omdat je het interessant en plezierig vindt om te doen. Het voorbeeld bij uitstek van intrinsieke motivatie is een kind dat speelt, dingen onderzoekt en dingen uitprobeert en daar helemaal in opgaat. Hiermee is trouwens niet gezegd dat alleen kinderen intrinsiek gemotiveerd zijn. Alle mensen van alle leeftijden kennen intrinsieke motivatie. Dingen doen die je interesseren is trouwens niet alleen leuk; je leert er ook veel van. Intrinsieke motivatie speelt dus gedurende ons hele leven een essentiële rol bij het aanleren van nieuwe vaardigheden en kwaliteiten (lees meer). Hoeveel ruimte er is voor mensen om hun intrinsieke motivatie te volgen hangt in sterke mate af van gebeurtenissen in hun sociale omgeving. Het is bekend dat bepaalde dingen (zoals het gebruik van straffen, beloning, negatieve feedback, concurrentie, dreigementen, etc.) instrinsieke motivatie kunnen belemmeren terwijl andere dingen (zoals het geven van keuzevrijheid, positieve feedback en het erkennen van emoties de betrokkene) intrinsieke motivatie juist bevorderen.

 

2. Integratie en extrinsieke motivatie. De minitheorie die ingaat op extrinsieke motivatie heet Organismic Integration Theory (OIT). ZDT gaat er vanuit dat mensen, net als andere organismen, de potentie hebben om te floreren. Deze potentie wordt gerealiseerd via een inherent ontwikkelingsproces bestaande uit twee deelprocessen. Het eerste deelproces is groei, het tweede deelproces is integratie. Het proces van groei komt neer op het uitbreiden van lichamelijke structuren (onze lichamen worden groter en complexer) en psychologische structuren (zoals overtuigingen, waarden, kennis en capaciteiten). Door deze processen van groei neemt de complexiteit van het individu toe. Deze toegenomen complexiteit hoeft niet te leiden tot grotere verwarring en verlies aan overzicht omdat tegelijkertijd een proces van integratie plaatsvindt. Dit proces van integratie is een proces waarbij alle nieuwe indrukken, kennis, ervaringen en dergelijke zodanig met elkaar in verband worden gebracht dat het individu een samenhangende kijk op zichzelf en op zijn of haar verhouding met de wereld om zich heen kan blijven houden. Het proces van integratie leidt ertoe dat het individu in staat blijft om coherent te functioneren.

ZDT gaat er vanuit dat dit inherente proces van groei plus integratie bij ieder individu plaatsvindt mits de psychologische behoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid worden ondersteund in de omgeving waarin het individu leeft. Wanneer deze behoeften ondersteund worden, kan de organismische integratie (groei+integratie) goed verlopen. Dit gebeurt via twee bekende processen. Het eerste proces is het volgen van onze intrinsieke motivatie. Dit proces waarbij we doen wat we leuk en interessant vinden vergroot onze kennis over de wereld en onze competentie. Het tweede proces is een proces van internalisatie van de waarden en verwachtingen van de omgeving waarin we ons ontwikkelen. Dit proces leidt ertoe dat we wat er van ons verwacht wordt zelf belangrijk gaan vinden waardoor er volledig achter gaan staan om keuzes te maken die in overeenstemming zijn met deze waarden.

Een belangrijk concept binnen OIT is extrinsieke motivatie. Van extrinsieke motivatie is sprake wanneer je iets doet om iets gewensts te bereiken of iets ongewensts te voorkomen. Extrinsieke motivatie kan in min of meerdere mate geïnternaliseerd zijn. Wanneer extrinsieke motivatie weinig geinternaliseerd is dan voer je de betreffende activiteit nadrukkelijk uit vanwege de consequenties van de activiteit (bijvoorbeeld straf of beloning). Wanneer extrinsieke motivatie meer geinternaliseerd is dan voer je de activiteit uit omdat je hem zelf belangrijk vindt. Er zijn vier vormen van extrinsieke motivatie die ik hier in toenemende mate van internalisatie opnoem: (1) externe regulatie, (2) introjectie, (3) identificatie en (4) integratie. Hoe goed internalisatie verloopt, is in belangrijke mate afhankelijk van de sociale context waarin een individu functioneert. Wanneer de behoeften aan autonomie en verbondenheid worden belemmerd dan wordt internalisatie bemoeilijkt; wanneer zij worden ondersteund dan wordt internalisatie juist bevorderd (lees meer).

 

3. Individuele verschillen in motivatie. De theorie die zich hier op richt heet de Causality Orientations Theory (COT). Deze theorie beschrijft hoe mensen zich oriënteren op hun omgeving. Grofweg heeft onderzoek drie soorten oriëntaties onthuld: (1) de autonome oriëntatie, (2) de controle-oriëntatie en (3) de amotivatie-oriëntatie. Mensen met een sterke autonome oriëntatie richten zich zoveel mogelijk op het doen van dingen die ze interessant en leuk vinden (intrinsieke motivatie) en op dingen die ze heel betekenisvol/waardevol vinden. Mensen met een sterke controle-oriëntatie richten zich sterk op het doen van dingen die beloning en erkenning opleveren en die negatieve consequentie vermijden. Bij mensen met amotivatie is sprake van afwezigheid van een drang om dingen te doen. Zij gedragen zich angstig en reactief (zie ook).

 

4. Basisbehoeften. De theorie die zich richt op de psychologische basisbehoeften heet Basic Psychological Needs Theory (BPNT). Deze basisbehoeften (aan autonomie, competentie en verbondenheid) zijn aangeboren, universeel (in alle culturen) en levenslang aanwezig. De mate waarin deze behoeften bevredigd worden, bepaalt hoe goed we ons voelen en hoe goed we functioneren (zie bijvoorbeeld hier). Het vervullen van de basisbehoeften is belangrijk voor alle mensen ongeacht of we ons bewust zijn van hun belang en vormt de basis voor onze voortdurende psychologische groei.

Het is niet zo dat deze basisbehoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid hiërarchisch te ordenen zijn. Ze zijn alle drie essentieel. Wel beïnvloeden ze elkaar en hangen ze met elkaar samen. Ook is het niet zo dat deze basisbehoeften pas belangrijk worden als eerst aan bepaalde fysieke behoeften is voldaan (zoals aan veiligheid, eten en drinken en hygiëne). Zelfs is in omstandigheden van armoede en gebrek spelen de behoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid een belangrijke rol.

Wanneer deze basisbehoeften niet in voldoende mate bevredigd worden dan lijdt de psychologische en fysieke gezondheid van mensen daar onder. Daarnaast kunnen mensen dan andersoortige behoeften ontwikkelen die dienen als een substituut (zoals een behoefte aan bewondering) en kunnen compensatiegedrag gaan vertonen (zoals onbeheerst gedrag, rigide gedrag, en dwars gedrag; lees meer). Structurele behoeftenfrustratie kan een oorzaak zijn van psychopathologie.

Het is niet alleen zo dat mensen onderling verschillen in de mate waarin hun basisbehoeften bevredigd zijn, ook is het zo dat de basisbehoeften van ieder mensen onderhevig is aan schommelingen van dag tot dag of zelfs van moment tot moment. Deze schommelingen worden opgewekt door de manier waarop in de context waarin we ons bevinden onze basisbehoeften worden ondersteund. En deze schommelingen hangen samen met hoe energiek en goed we ons op het moment voelen. Als we ons futloos en slecht voelen vanwege behoeftenfrustratie (bijvoorbeeld op het werk) kunnen we zelf activiteiten ontplooien waarin onze basisbehoeften bevredigd worden om ons weer beter en energieker te gaan voelen (bijvoorbeeld door muziek te maken of te sporten).

 

5. De inhoud van doelen. De zogenaamde Goal Contents theory (GCT) maakt het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke doelen. Extrinsieke doelen zijn doelen die zich richten op zaken als financieel succes, image en beroemdheid. Intrinsieke doelen richten zich op zaken als gemeenschapszin, goede relaties en persoonlijke groei. GCT gaat in op de vraag wanneer mensen meer geneigd zijn om extrinsieke of intrinsieke doelen te ontwikkelen en wat de consequenties hiervan zijn voor hun welbevinden en functioneren. Wanneer de psychologische basisbehoeften niet bevredigd zijn kiezen mensen eerder extrinsieke doelen. Wanneer ze wel bevredigd zijn eerder intrinsieke doelen. Er is veel onderzoek gedaan dat laat zien dat extrinsieke doelen samenhangen met een verschillende negatieve zaken zoals een lager welbevinden (lees meer hier en hier).

 

6. Het belang van relaties. De Relationship Motivation Theory (RMT) gaat in op de basale behoefte aan verbondenheid, de behoefte aan het beginnen en onderhouden van relaties en aan het zorgen voor anderen en verzorgd worden door anderen. De behoefte aan verbondenheid is universeel en levenslang aanwezig, ook, zo blijkt uit onderzoek, bij mensen die zeggen geen behoefte aan contact te hebben. Wat onderzoek ook heeft laten zien is dat voor het hebben van kwalitatief goede relaties autonomie-ondersteuning erg belangrijk is (zie ook).

 

 

De psychologie van progressie

Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (45)
  • Bruikbaar (26)