De zelfdeterminatietheorie toegepast op gymnastiekonderwijs: systematische review en meta-analyse

In een nieuw artikel onderzoeken Vasconcellos ea (2019) het bewijs over de relevantie van de zelfdeterminatietheorie (ZDT) voor gymnastiekonderwijs. Ze voerden een meta-analyse (k=265) uit met gebruikmaking van structural equation modeling (SEM), een moderatoranalyse en een padanalyse  en om de belangrijkste verwachtingen van de ZDT te toetsen. Hieronder vat ik het artikel beknopt samen.

Het belang van gymnastiekonderwijs

Veel kinderen en volwassenen bewegen te weinig wat gevolgen heeft voor hun fysieke gezondheid en hun welbevinden. Gymnastiekonderwijs wordt gezien als een belangrijke manier om leerlingen meer te laten bewegen tijdens schooldagen. Dit kan directe positieve effecten hebben op hun gezondheid en welbevinden en ook hun leren in andere vakken ten goede komen (lees meer). Vaak is een nevendoel doel achter gymnastiekonderwijs om leerlingen positief te laten denken over lichaamsbeweging zodat ze een basis leggen voor het blijven bewegen op latere leeftijd. De realiteit is echter dat veel kinderen niet zo positief over de gymnastiekles denken. Ze hebben er een lage motivatie voor en ze hebben een negatief beeld van hun eigen lichaam en sportiviteit.

De zelfdeterminatietheorie: het motivatiecontinuüm en het procesmodel

De ZDT gaat er vanuit dat de motivatie van leerlingen te beïnvloeden is en dat dit ook positieve consequenties heeft voor hun gedrag, hun welbevinden en gezondheid. Om de ZDT in grote lijnen te begrijpen is het nodig om het motivatiecontinuüm en het procesmodel te kennen. Het motivatiecontinuüm beschrijft soorten en subsoorten van motivatie, lopend van amotivatie, via gecontroleerde motivatie, naar autonome motivatie. Hier zie je een versie van het motivatiecontinuüm die ik eerder maakte.

Het procesmodel van de ZDT gaat er vanuit dat het ondersteunen van de psychologische basisbehoeften (aan autonomie, competentie en verbondenheid) leidt tot behoeftenbevrediding en dat dit weer leidt tot een betere  motivatie en tot betere resultaten. In de onderstaande figuur geef ik het procesmodel eenvoudig weer.

Ondersteuning van de basisbehoeften

Een belangrijke aanname binnen de ZDT is het ondersteunen van de basisbehoeften van leerlingen hun internalisatie stimuleert. Dit betekent dat ze het belang van de verwachtingen die aan hen gesteld worden gaan zien en dat ze erachter gaan staan. Ze worden dus autonoom gemotiveerd met als gevolg dat hun resultaten en welbevinden ook beter worden.

Het ondersteunen van de behoefte aan autonomie kan de docent doen door:

  • de houding en eventuele suggestie van leerlingen te accepteren
  • betekenisvolle redenen voor verwachtingen te geven (rationales)
  • niet-controlerende (dwingende, autoritaire) taal te gebruiken
  • keuzemogelijkheden te bieden
  • geduld te laten zien
  • ruimte en erkenning te bieden voor uitingen van negatieve gevoelens

Het ondersteunen van de behoefte aan competentie kan de docent doen door:

  • heldere verwachtingen te geven
  • op consequente wijze te reageren op gedrag
  • competentieondersteunende feedback te geven
  • te monitoren tijdens de les (hoe ver de leerlingen zijn)

Het ondersteunen van de behoefte aan verbondenheid kan de docent doen door:

  • te laten merken plezier te beleven aan de interactie met de leerling
  • te laten merken dat hij/zij de leerling aardig vindt
  • af te stemmen op wat de leerling zegt
  • door betrouwbaar te zijn
  • door tijd en aandacht te hebben voor de leerling

Resultaten

Grofweg laten de resultaten een ondersteuning zien voor de theoretische verwachtingen van de ZDT. Ten eerste vonden de auteurs grofweg steun voor het motivatiecontinuüm. Hierbij viel overigens op dat het onderscheid tussen de verschillende vormen van autonome in de data niet sterk was. Dit suggereert dat het voor leerlingen niet altijd gemakkelijk is om het onderscheid te maken tussen wat zij interessant vinden en belangrijk vinden in de les. Het onderscheid tussen de soorten motivatie aan de linker kant van het motivatiecontinuüm was wel helder herkenbaar in de data. Leerlingen lijken dus wel een duidelijk onderscheid te voelen tussen amotivatie, externe regulatie en introjectie. Ander recent onderzoek heeft overigens vergelijkbare bevindingen gedaan.

De meeste gevonden effecten zijn middelgroot en wijzen in de richting die verwacht is op grond van de ZDT. De sterkste positieve effecten werden gevonden voor autonome motivatie, de sterkste negatieve effecten van amotivatie en externe regulatie. De effecten van introjectie lagen hier tussen in. Er werden zowel positieve als negatieve effecten van introjectie gevonden. De auteurs vermoeden dat een belangrijk nadeel van introjectie is dat het minder duurzaam is.

De vervulling van de basisbehoeften hing positief samen met autonome motivatie. Hierin viel op dat de vervulling van de behoefte aan competentie de sterkste positieve relatie met autonome motivatie had. Wat opvallend was, was dat het gedrag van de docent vooral een effect had op de vervulling (of frustratie) van de behoeften aan autonomie en competentie terwijl het gedrag van medeleerlingen vooral invloed had op de behoefte aan verbondenheid.

De onderzoekers vonden via een padanalyse ook steun voor het procesmodel. Dit wil zeggen dat er inderdaad een keten lijkt te bestaan die gaat van behoeftenondersteuning door de docent, naar een gevoel van behoeftenbevrediging bij de leerling naar motivatie en naar gedrags- en gevoelseffecten en resultaten van de leerling (zie de figuur hieronder). Het gedrag van de docent is dus een belangrijke factor in de motivatie van de leerling. De auteurs wijzen op ander onderzoek dat laat zien dat het gedrag van docenten goed te beïnvloeden is. Met andere woorden: het is goed mogelijk om docenten via training te leren meer effectiever behoeftenondersteuning te laten bieden aan leerlingen.

Op de moderatoranalyse ga ik niet uitgebreid in (lees het onderzoek voor details). Ze vonden dat vrij veel heterogeniteit voor sexe en ook enige voor leeftijd (met name m.b.t. introjectie) maar geen voor cultuur.

Discussie

Dit onderzoek kan worden toegevoegd aan de grote hoeveelheid onderzoek die suggereren dat interventie gebaseerd op de ZDT nuttig kunnen zijn. Met name interessant vond ik om te lezen dat de docent veel invloed kan hebben op de vervulling van de behoeften aan autonomie en verbondenheid en dat het vooral medeleerlingen zijn die de vervulling van de behoefte aan verbondenheid bepalen. Dit is goed om te beseffen voor docenten. Het kan verstandig zijn om deze verbondenheidsondersteuning over en weer te stimuleren door interactie tussen leerlingen te stimuleren tijdens de les, door hem uit te nodigen elkaar te helpen en door in kleine groepjes te werken.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (0)
  • Bruikbaar (0)