Het begrip signature strengths, ofwel karaktersterktes, werd gelanceerd door twee vooraanstaande figuren binnen de positieve psychologie, Peterson & Seligman (2004). Deze twee auteurs, exponenten van de zogenaamde strengths movement, stelden dat het identificeren en gebruiken van je kenmerkende sterktes een (of zelfs ‘de’) belangrijke basis voor menselijk floreren is. De auteurs ontwikkelden een vragenlijst, de VIA Inventory of Strengths (VIA-IS) die populair is bij veel coaches en loopbaanadviseurs en waarmee de kenmerkende karaktersterktes van mensen zouden kunnen worden geïdentificeerd. De populariteit van deze vragenlijst is groot. Maar de wetenschappelijke onderbouwing ervan en de onderbouwing van de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de sterktebenadering binnen de positieve psychologie zijn minder groot. Er is nu een artikel verschenen van Schutte & Malouff (2018) waarin zij een meta-analyse beschrijven naar de effecten van interventies gericht op signature strengths. Hoe overtuigend laat dit artikel de onderbouwing van de signature strengths benadering zien?

 

De sterktenbenadering van Gallup

Een jaar of 20 geleden kwamen er verschillende initiatieven op die pleitten voor een verschuiving van een gerichtheid op menselijke zwaktes naar menselijke sterktes. De Gallup organisatie was hiervan een voorbeeld. Schrijvers als Donald Clifton en Marcus Buckingham stelden op basis van onderzoek van Gallup dat het identificeren en het gebruiken van sterktes de belangrijkste sleutel tot goed en gelukkig functioneren was. Ze promootten een vragenlijst, de zogenaamde StrengthsFinder, waarmee sterktes konden worden geïdentificeerd. De onderbouwing van zowel de claims van Clifton en Buckingham als van de validiteit van StrengthsFinder is onduidelijk. Aan marketinguitingen over het instrument is weinig gebrek, aan peer reviewed onderzoek voor zover ik weet des te meer.

 

Sterktegerichtheid binnen de positieve psychologie

Binnen de psychologie vond een analoog proces plaats. Seligman & Csikszentmihalyi (2000) lanceerden het idee van de positieve psychologie. Zij constateerden terecht dat de psychologie vooral gericht was op kennisopbouw over menselijke zwaktes en problemen. Ze pleitten ervoor om meer onderzoek te gaan doen naar hoe positief functioneren van mensen tot stand komt. Peterson & Seligman (2004) lanceerden het begrip signature character strengths. Zij definieerden een set van signature strengths niet alleen op basis van psychologische theorieën maar in sterke mate ook op basis van oude religieuze en filosofische teksten uit verschillende delen van de wereld. De onderbouwing van de signature strengths taxonomie en ook van de stelling dat de identificatie en het gebruik van signature strengths een/de belangrijke weg naar floreren is, lijkt echter tamelijk wankel (zie bijvoorbeeld hier).

 

Meta-analyse 2018

In de nieuwe meta-analyse van Schutte en Malouff is gekeken naar de effecten van signature strength-interventies op de volgende vijf variabelen: (1) geluk of positief affect, (2) levenstevredenheid, (3) floreren/psychologisch welbevinden, (4) negatief affect, (5) depressie, en (6) het gebruik van karaktersterktes. Bij signature strength-interventies moet je denken aan de volgende soorten interventies: (1) mensen een vragenlijst laten invullen, (2) het feedback geven over hun signature strengths, (3) hen vragen om deze sterktes tenminste gedurende een week te gebruiken in hun dagelijks leven.

De auteurs rapporteren de volgende resultaten: (1) In 9 studies werd een significant effect gevonden op geluk. (2) In 7 studies werd een significant effect gevonden op depressieve klachten, (3) in 7 studies werd een significant effect gevonden op levenstevredenheid. De overige effectvariabelen (negative affect, flourishing, and use of signature character strengths) kwamen alle terug in minder dan 5 studies waardoor er niet voldoende statistische power was om de meta-analytische bevindingen goed te kunnen interpreteren.

 

Mijn interpretatie

Hoe sterk waren de gevonden effecten? Hier is enige uitleg over hoe je je hierover een idee kunt vormen. De effectgroottes in dit onderzoek werden weergegeven aan de hand van de maat Hedges g. Bij de hierboven beschreven resultaten (1), (2) en (3) werden Hedges g’s gevonden van respectievelijk 0,32; 0.21 en 0,42. Als vuistregel voor de interpretatie van Hedges g wordt gesteld dat een waarde van 0,2 een klein effect betekent; 0,5 een middelgroot effect en 0,8 een groot effect. De effecten in dit onderzoek zijn dus klein tot iets minder dan middelgroot.

Bij een dergelijke meta-analyse zou het gewenst zijn dat in alle onderzoeken die meegenomen zijn er sprake was van een random toewijzing van proefpersonen aan ofwel de experimentele conditie ofwel de controlegroepconditie. Ook zou je duidelijk zicht willen hebben op  wat de controleconditie precies inhoudt. Beide waren bij deze meta-analyse niet het geval. Bij een deel was sprake van random toewijzing bij een ander deel niet. De controleconditie hield bij een deel van de onderzoeken plaatsing op een wachtlijst in en bij een ander deel van de onderzoeken was er sprake van een actieve controle conditie. Bij deze onderzoeken gebeurde dus wel iets maar onduidelijk is wat er gebeurde in de actieve controleconditie. Via moderatoranalyses stelden de auteurs wel vast dat er geen significant verschil optrad tussen wel of niet random toewijzen en tussen wachtlijst en actieve controlegroep.

Dat mensen zich wel enigszins goed voelen nadat ze een taak hebben uitgevoerd waarin ze iets doen wat ze net daarvoor hebben bestempeld als een signature strength vind ik niet verbazingwekkend. Onderzoek binnen de zelfdeterminatietheorie heeft bijvoorbeeld laten zien dat het gevoel dat je competent bent voor wat je moet doen samenhangt met welbevinden en goed functioneren. Maar zegt dit iets over de waarde van het begrip signature strength of over de vragenlijst die gebruikt wordt om signature strengths te meten? Er zijn verschillende andere mogelijke verklaringen. Ik ben niet overtuigd. Ik vermoed dat het werken met een van tevoren gedefinieerde en gelimiteerde set van sterktes een nutteloze omweg is.

Als er nu onderzoek was gedaan waarin in de ene conditie signature strengths waren geïdentificeerd en gebruikt en in de andere condities proefpersonen iets gedaan hadden waarin ze competent waren, of iets dat ze interessant of belangrijk vonden en signature strengths had in dit onderzoek geleid tot significant betere effecten, had ik dat overtuigender gevonden.

Ook het gebruik van zelfbeoordeling drukt de indrukwekkendheid van deze onderzoeken. Zowel de onafhankelijke variabelen (signature strengths) als de afhankelijke variabelen (zoals geluk) rustten bij deze onderzoeken louter op zelfbeoordelingen. Het onderzoek was relevanter geweest als bij zowel de onafhankelijke als de afhankelijke variabelen gebruik was gemaakt van meer objectieve metingen (zoals gedragsobservaties). In aanvulling hierop: dat de afhankelijke variabelen allemaal affect-gerelateerd zijn, is ook een belangrijke beperking. Veel overtuigender zou dit onderzoek geweest zijn als daarnaast was gekeken naar gedrags- en prestatiematen.

Een laatste kritische opmerking: de limitations-paragraaf van de auteurs is uiterst kort en ze bespreken veel van de kritische punten hierboven niet. Een andere reden om enigszins te twijfelen aan hun (zelf)kritisch vermogen is dat ze kritiekloos melding maken van onderzoek van Fredrickson and Losada (2005) naar de positivity ratio terwijl dit onderzoek hard onderuit is gehaald vanwege ondeugdelijkheid van de analyses en conclusies (Brown et al., 2013).

 

Verdere discussie

Het zou kunnen dat gebruikers van vragenlijsten als de VIA met dit onderzoek in de hand zullen zeggen dat hun aanpak wetenschappelijk bewezen is. Maar mij lijkt het bewijs uit dit onderzoek veel te dun om dat te kunnen zeggen. Scepsis over de hele sterktenbenadering blijft geboden. Er is maar matig bewijs voor de stelling dat het identificeren van signature strengths leidt tot belangrijke en duurzame voordelen. Laat staan dat er veel bewijs zou zijn voor sterke claims als “Character strengths are the foundation of optimal life-long development and thriving” (Park & Peterson, 2009).

Het inspirerende basisidee van de positieve psychologie (laten we onderzoeken hoe positief functioneren tot stand komt) is naar mijn idee al snel veel te sterk verengd. Onderzoek binnen de positieve psychologie richtte zich al snel vooral op sterktes en op geluk. Het basisidee van de strengths movement à la Gallup werd ook omarmd door veel psychologen. De gerichtheid op sterktes en geluk vind ik een ongelukkige verenging van de oorspronkelijk missie van de positieve psychologie om twee redenen.

De eerste is: er zijn veel andere kandidaten voor factoren die positief functioneren van mensen kunnen verklaren/veroorzaken. De focus op sterktes lijkt mij een typisch voorbeeld van de klassieke fout van psychologen en leken om oorzaken van gedrag en resultaten vooral binnen de persoon te zoeken (zie de fundamentele attributiefout).

De tweede is: geluk is maar een aspect van positief functioneren van mensen. Er zijn veel andere, en mogelijk belangrijkere, aspecten van functioneren te noemen. Bijvoorbeeld: Hoe goed zijn we in staat om te leren? Hoe effectief gedragen we ons als we met andere mensen omgaan of als we belangrijke taken uitvoeren? Hoe nuttig is onze bijdrage aan de gemeenschappen waarin we leven?

Eerder zei ik dat ik het idee het dat het identificeren van signature strengths een nutteloze omweg is. Hiermee bedoel ik dat er een alternatief is en dat is: doen wat je interessant en belangrijk vindt en werken aan het versterken van je kennis en vaardigheden om in deze interessante en belangrijke dingen vooruit te komen. Hiervoor heb je geen vooraf gedefinieerde en gelimiteerde set van signature strengths nodig, denk ik.

Maar mogelijk is de omweg via signature strengths niet alleen nutteloos maar zelfs schadelijk. Deze focus op sterktes zou een statische mindset in de hand kunnen werken met alle nadelen van dien (zie bijvoorbeeld hier).

 

Conclusie

Ik blijf sceptisch over de sterktegerichte benadering maar een mens kan zich vergissen. Als er goed onderzoek komt waaruit blijkt dat deze aanpak inderdaad goed (en beter dan andere aanpakken) werkt, stel ik mijn mening bij. Nu zie ik daarvoor geen reden.

 

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (7)
  • Bruikbaar (3)