Een nieuw artikel van Milyavskaya (foto) et al (2018) gaat in op de vraag waarom we soms inspannende taken doen zonder dat we hiervoor een beloning ontvangen. Het artikel beschrijft onderzoek dat in gaat op de vraag in hoeverre interesse en self-efficacy (het vertrouwen in de eigen bekwaamheid de taak succesvol te kunnen vervullen) kunnen verklaren dat we onbeloonde inspanningen leveren. Ook gaat het onderzoek in op de vraag in hoeverre interesse en self-efficacy kunnen verklaren dat we niet altijd even moe zijn na inspannend werk. 

 

De wet van minder werk

In 1943 formuleerde psycholoog Clark L. Hull (foto) de Wet van minder werk. Hiermee bedoelde hij dat als individuen moeten kiezen tussen twee taken, ze in het algemeen geneigd zullen zijn de taak te kiezen die de minste inspanning vergt. Latere onderzoekers vonden dat dit principe niet alleen van toepassing is op lichamelijke inspanning maar ook op cognitieve inspanning. Zij noemden mensen cognitive misers (cognitieve vrekken) om aan te duiden dat mensen zuinig (/gierig) met hun mentale energie omspringen (Fiske & Taylor, 1991). Ze kiezen liever de gemakkelijke dan de moeilijke weg.

 

Waarom leveren we onbeloonde inspanning?

Hoe is te verklaren dat mensen soms dan toch voor inspannende taken kiezen? Een eerste verklaring kan zijn dat ze een beloning krijgen die de ‘kosten’ (inspanning) die ze maken compenseert. Maar hoe is het dan te verklaren dat mensen ook vaak inspannende taken kiezen waarvoor ze geen beloning ontvangen? Psycholoog Albert Bandura (o.a. 1982; zie foto) dacht dat het gevoel van self-efficacy als een soort interne beloning voelde. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat mensen interesse en plezier in de betreffende inspannende taak beleven (zie o.a. Ryan & Deci, 2000).

 

Waarom zijn we niet altijd even moe na inspanning?

Recent zijn er diverse onderzoeken verschenen die laten zien dat niet iedere inspanning leidt tot dezelfde gevoelens van vermoeidheid (o.a. Job et al, 2010; zie foto). Het lijkt erop dat vermoeidheid tenminste tot op zekere hoogte subjectief is. Wanneer mensen een activiteit interessant of leuk vinden, lijkt het zo te zijn dat ze na afloop zich minder vermoeid voelen. Ook autonome motivatie (de taak interessant of belangrijk vinden) leidt tot minder vermoeidheid en meer vitaliteit (Ryan & Deci, 2008).

 

Milyavskaya et al (2018) deden vier onderzoeken om de bovengenoemde vragen te beantwoorden. Onderzoek 1 en 2 vonden in het laboratorium plaats, onderzoeken 3 en 4 waren veldonderzoeken.

 

Onderzoek 1: effect van interesse en self-efficacy op inspanning en vermoeidheid

In het eerste onderzoek (N=63) moesten deelnemers gedurende 15 minuten steeds kiezen voor een gemakkelijkere of moeilijkere rekenkundige taak. Na afloop moesten ze ook aangeven hoe leuk ze wiskunde vonden, hoe goed ze zichzelf er in vonden en hoe vermoeid ze waren. Deelnemers bleken veel vaker de gemakkelijkere taak te kiezen (in 67% van de gevallen). Interesse en self-efficacy bleken sterk met elkaar samen te hangen maar niet hetzelfde effect te hebben. Een grotere interesse ging samen met het vaker kiezen van de moeilijkere taak. Maar een grotere self-efficacy ging niet samen met het vaker kiezen van de moeilijkere taak. Meer geïnteresseerde deelnemers rapporteerden na afloop minder vermoeidheid. Vermoeidheid was niet minder voor deelnemers met een hogere self-efficacy.

 

Onderzoek 2: replicatie en uitbreiding

Dit onderzoek was een licht gewijzigde en uitgebreide replicatie van onderzoek 1 (N=158). In deze studie weken de resultaten iets af. Opnieuw bleken interesse en self-efficacy sterk samen te hangen met elkaar. Self-efficacy voorspelde niet het kiezen van moeilijkere opgave maar ook interesse kwam slechts hooguit als een zwakke voorspeller hiervan naar voren. Wel bleek in dit onderzoek opnieuw dat meer interesse (en niet self-efficacy) samenging met minder vermoeidheid.

 

Onderzoek 3: replicatie in veldstudie

Deze studie repliceerde studie 1 en 2 in een veldsetting, namelijk onder middelbare scholieren (N=447). In dit onderzoek konden de deelnemers kiezen voor een inspannende (wiskunde) taak of een minder inspannende taak (video kijken of game doen). In dit onderzoek werd niet gevraagd naar vermoeidheid maar wel naar hoe verleidelijk de video/het spel waren geweest. Aanvankelijk besteedden de leerlingen 71% van de tijd aan de wiskundetaak maar dit zakte gedurende de test naar 57%.

Interesse en self-efficicy correleerden weer positief maar niet zo sterk (.025). Zowel interesse als self-efficacy vooorspelde het langer bezig zijn met de wiskundetaak. Maar alleen interesse voorspelde een lagere verleiding voor de video of game.

 

Onderzoek 4: replicatie en uitbreiding

Dit onderzoek was een licht gewijzigde en uitgebreide replicatie van onderzoek 3. Bij deze replicatie bij middelbare scholieren (N=884) werd wel gevraagd naar vermoeidheid na afloop van de test. Bij dit onderzoek werd opnieuw een inspanningsaversief effect gevonden. Naarmate de test vorderde gingen minder deelnemers de inspannende taak doen. Interesse voorspelde de duur van volgehouden inspanning en een lagere vermoeidheid achteraf. Hoelang deelnemers met de inspannende taak bezig waren geweest correleerde niet met hoe moe zij zich achteraf voelden.

 

Mini-meta-analyses

De onderzoekers voerden vervolgens enkele mini-meta-analyses uit op deze vier onderzoeken. Hier werd een klein maar robuust effect van interesse op de bereidheid tot meer inspanning en het ervaren van minder vermoeidheid gevonden (ondanks het leveren van meer inspanning). Er werd geen effect van self-efficacy op inspanning en vermoeidheid gevonden.

 

 

 

 

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (0)
  • Bruikbaar (0)