Als je één beginpunt zou moeten aanwijzen in de ontstaansgeschiedenis van de zelfdeterminatietheorie zou dat waarschijnlijk een klassiek onderzoek van Ed Deci naar intrinsieke motivatie moeten zijn. Hij publiceerde dat onderzoek in 1971 en het was de eerste belangrijke publicatie in een enorme reeks van publicaties die zou volgen van Ed Deci en Richard Ryan en een steeds groter wordend netwerk van onderzoekers. Hier kun je een korte beschrijving lezen van dat onderzoek.

Jaren ’60: intrinsieke motivatie werd populair

In de jaren ’60 raakte het begrip intrinsieke motivatie aardig ingeburgerd, onder andere door het boek The Human side of enterprise van Douglas McGregor (1960). Kort gezegd houdt intrinsieke motivatie het volgende in. Een activiteit is intrinsiek gemotiveerd wanneer de activiteit gezien wordt als zijn eigen doel (en als extrinsiek wanneer de activiteit dient om een ander, afzonderlijk doel te bereiken). Praktisch gezien betekent dit dat je de activiteit doet omdat je hem leuk of interessant vindt en niet om er iets specifieks mee probeert te bereiken.

Veel mensen zagen het belang van intrinsieke motivatie in en dachten dat je mensen via beloningen moest motiveren om werk te doen waar ze intrinsiek gemotiveerd voor waren. In 1971 wilde Ed Deci onderzoeken of dit een effectieve strategie was. Hij was benieuwd wat er zou gebeuren wanneer mensen beloond worden voor het doen van iets wat zij interessant vinden zoals een sport of een hobby (Deci, 1971; 1975).

Het onderzoek van Deci: beloningen kunnen intrinsieke motivatie ondermijnen

Deci deed een onderzoek in drie stappen. In de eerste stap liet hij ze zogenaamde SOMA-kubus uitproberen. In dit onderdeel van het onderzoek gaven de studenten aan de puzzels erg leuk te vinden. In het tweede deel van het onderzoek liet hij een deel van de studenten gewoon de puzzels maken. Een ander deel van de groep vertelde hij dat ze voor iedere puzzel die ze zouden oplossen een financiële beloning zouden ontvangen van een paar dollar. Het derde deel van het onderzoek bestond uit een zogenaamde free-choice period.

De Free choice period

Een dergelijke free choice period is een belangrijke techniek geworden in het onderzoek van intrinsieke motivatie. Het houdt het volgende in. Tijdens het onderzoek verlaat de onderzoeker met een smoesje de onderzoeksruimte zodat de deelnemers alleen achter blijven. Hij zegt dat ze zelf mogen weten wat ze doen. Ze kunnen bijvoorbeeld nog even doorgaan met de activiteit (in dit geval de SOMA-puzzels) of iets anders doen. Terwijl de onderzoeker weg is, gaan de deelnemers ervan uit dat ze niet geobserveerd worden en ook niet de verwachting dat ze beoordeeld of beloond zullen worden. Als ze dus verder gaan met de activiteit, doen ze uit interesse of plezier. De hoeveelheid tijd die ze tijdens deze free-choice period besteden aan de taak is dus een indicatie voor hun intrinsieke motivatie.

Het ondermijningseffect

Wat Deci ontdekte was dat de studenten die tijdens het tweede deel waren beloond voor het doen van de puzzels, tijdens het derde onderdeel in mindere mate doorgingen met het doen van de puzzels dan de studenten die niet waren beloond. Ook opmerkelijk: Deci zag dat de studenten die betaald werden voor het doen van de puzzels, minder goed presteerden. Beloning ondermijnde hun intrinsieke motivatie en hun prestatie.

Verschuiving van IPLOC naar EPLOC

Wat dit onderzoek liet zien, is iets dat inmiddels vaak in onderzoek is aangetoond. Door het geven van de beloning verschoof de aandacht van de studenten van hun intrinsieke reden (hun interesse) om de puzzels te doen naar een extrinsieke reden (de beloning). Hun beleving van wat ze aan het doen waren, verschoof van “ik doe dit omdat ik het interessant vind” naar “ik doe dit omdat ik ervoor beloond word, niet omdat ik het interessant vind”. Binnen de zelfdeterminatietheorie wordt deze verschuiving een verschuiving van een internal perceived locus of causality (IPLOC) naar een external perceived locus of causality (EPLOC) genoemd. Zo gauw de externe reden wegviel (tijdens de free-choice period) viel de reden weg om de activiteit te doen en hielden ze ermee op.

Andere factoren die intrinsieke motivatie kunnen beïnvloeden

Inmiddels is er veel vervolgonderzoek gedaan dat heeft laten zien dat ook bepaalde dingen zoals het gebruik van dreigementen (Deci & Cascio, 1972), deadlines (Amabile et al., 1976), beoordelingen (Amabile, 1979), interne concurrentie (Deci et al., 1981) en supervisie (Lepper & Greene, 1975) intrinsieke motivatie kunnen verminderen.

Tegelijk is het zo dat andere dingen zoals het geven van keuzevrijheid (Zuckerman et al. 1978), je competent voelen (Dysvyk et al., 2013), het krijgen van gedragsgerichte positieve feedback (Henderlong & Lepper, 2002) en het erkennen van emoties (Koestner et al., 1984), intrinsieke motivatie juist bevorderen.

Niet alle beloningen ondermijnen intrinsieke motivatie

Overigens zullen onverwachte beloningen, zoals een niet van tevoren afgesproken bonus voor een goede prestatie, de intrinsieke motivatie doorgaans niet ondermijnen. Beloningen ondermijnen intrinsieke motivatie alleen als de beloonde persoon weet dat de beloning er zal zijn en deze beleeft als de reden waarom hij de taak doet (Deci et al., 1999).

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (8)
  • Bruikbaar (3)