zelfdisciplineEen van de ideeën die Alfie Kohn aanvalt in zijn boek The Myth of the spoiled child is het idee dat het vandaag de dag een groot probleem is dat kinderen geen zelfdiscipline, wilskracht, doorzettingsvermogen en vermogen om hun behoeftes uit te stellen meer hebben. Verschillende auteurs, zoals Martin Seligman, Roy Baumeister, Paul Tough en Angela Duckworth (die het woord ‘grit’ vooral gebruikt wat zo iets als lange termijn doorzettingsvermogen betekent) hebben betoogd dat ouders en leraren kinderen deze vaardigheden moeten aanleren, misschien meer dan wat dan ook.

Kohns eerste kritiekpunt is dat je richten op zelfdiscipline en volharding als doel op zich geen hout snijdt omdat niet alles de moeite waard is om te doen, laat staan om het vol te houden. Een crimineel met doorzettingsvermogen is nog slechter dan een gewone crimineel. Dus voordat we het belang van zelfdiscipline en volharding benadrukken moeten we eerst nadenken over de vraag wat überhaupt interessant en de moeite waard is om te doen. En bovendien, zegt Kohn, volharding kan in sommige gevallen onproductief en ongezond zijn Wanneer je een kuil aan het graven bent voor jezelf kan het wijzer zijn om op te houden met graven. De vraag is: wanneer is het de moeite waard om door te gaan en wanneer is het wijzer om te stoppen?

Kohn zet ook vraagtekens bij de empirische steun voor de waarde van ‘grit’. Hij wijst erop dat de beroemde marshmallow experimenten van Walter Mischel in de jaren 60 en 70 door moderne auteurs vaak verkeerd worden geïnterpreteerd. Moderne auteurs zoals Jonah Lehrer zeggen dat de experimenten lieten zien dat kinderen die beter waren in het uitstellen van hun behoeftebevrediging later zowel cognitief als sociaal beter functioneerden. Maar de experimenten gingen over iets geheel anders namelijk over de context in plaats van over de zelfcontrole van het individuele kind. Mischel wilde weten hoe kinderen hun behoeftebevrediging konden uitstellen en hij kwam erachter dat de kinderen die hier het best toe in staat waren geen gebruik maakten van “zelfontkenning en grimmige vastberadenheid” (Mischels woorden). In plaats daarvan leidden zij zichzelf af door iets interessants te gaan doen waardoor het oppakken van de marshmallow niet eens meer zozeer een kwestie van zelfbeheersing was. (Lees meer over Kohn’s analyse van de verkeerde interpretatie van de experimenten in zijn boek).

Hij bekritiseert ook de publicaties van Angela Duckworth. Hoewel hij erkent dat zelfdiscipline samenhangt met hogere cijfers op school, zegt hij ook dat er nadelen zijn van zelfdiscipline. Een daarvan is dat die gedisciplineerde, hoge cijfers halende, kinderen ook gemiddeld conformistischer en minder creatief zijn.  Een belangrijk kritiekpunt van Kohn is dat, hoewel het waar is dat volharding in een omlijnde taak samenhangt met een betere prestatie op die taak, het ook zo is dat dit soort volharding samenhangt met verschillende negatieve dingen zoals minderen openheid voor ervaringen hebben en minder in staat zijn om een complex mentaal leven te genieten.

Mijn kijk hierop is dat Kohn gelijk heeft om te wijzen op het belang van de vraag of iets de moeite waard is om te doen en te blijven doen. Ik ben het ermee eens dat ergens goed in worden vraagt om een lange termijn toewijding maar de belangrijke vraag is: wanneer en waarom zou je zo’n investering maken? Ik heb betoogd dat de beste basis voor zo’n beslissing is dat je de activiteit de moeite waard vindt wat betekent dat hij je interesseert, zowel in de zin dat je er plezier in hebt om hem te doen en hem belangrijk vindt. Als dit de basis is waarom je ergens inspanning voor levert dan zal dit niet zoveel zelfbeheersing vragen (zie Mischels experimenten). Nee, het is zo dat de activiteit zelf de brandstof levert om door te gaan. Lees meer hierover in mijn artikel Interesses als drijvende krachten achter ontwikkeling.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (2)
  • Bruikbaar (1)