Wanneer mensen leren, groeien en beter gaan functioneren, zijn we geneigd om te zoeken naar de oorzaak daarvan. Welke interventie heeft het verschil gemaakt? Wat heeft de verandering teweeggebracht? Maar misschien is die manier van kijken te beperkt. Misschien is veel van wat werkt in onderwijs, coaching en leiderschap niet het veroorzaken van verandering maar het mogelijk maken ervan. Dat verschil, tussen veroorzaken en mogelijk maken, zou wel eens fundamenteler kunnen zijn dan het op het eerste gezicht lijkt. Het heeft consequenties voor hoe we interventies begrijpen, hoe we naar menselijk functioneren kijken, en hoe we de hardnekkige vraag benaderen waarom sommige mensen zoveel verder komen dan anderen. In dit artikel introduceer ik het begrip “deuropener” als een manier om dat verschil precies te maken.
Enablement: een ander type werkzaamheid
In de biologie en de filosofie van complexe systemen heeft Stuart Kauffman een onderscheid geïntroduceerd dat verstrekkende gevolgen zou kunnen hebben voor hoe we denken over verandering en ontwikkeling (Kauffman, 2019; Longo et al., 2012). Dat onderscheid is het verschil tussen causatie en enablement. Causatie is wat we gewoonlijk bedoelen als we zeggen dat iets een effect veroorzaakt: biljartbal A raakt biljartbal B en B beweegt. De relatie is direct, voorspelbaar en mechanisch. Enablement is iets fundamenteel anders. Een enabler veroorzaakt geen uitkomst maar maakt een uitkomst mogelijk die zonder de enabler niet kon optreden. Zuurstof veroorzaakt geen vuur, maar zonder zuurstof is vuur onmogelijk. Een weg veroorzaakt geen reis, maar zonder weg is de reis onmogelijk of veel moeilijker. De enabler opent een mogelijkheidsruimte zonder te bepalen wat er binnen die ruimte gebeurt. In complexe levende systemen, stelt Kauffman, is enablement vermoedelijk de dominante modus van verandering, niet lineaire causatie. Organismen, ecosystemen en menselijke ontwikkeling worden niet zozeer gedreven door lineaire oorzaak-gevolgketens als wel door het voortdurend openen en sluiten van mogelijkheden.
Dit inzicht lijkt mij directe relevantie te hebben voor de psychologie en voor de praktijk van onderwijs, coaching en leiderschap. Een groot deel van wat wij doen wanneer wij mensen helpen om te leren, te groeien en beter te functioneren, is vermoedelijk niet het veroorzaken van verandering maar het mogelijk maken ervan. Toch ontbreekt in de psychologie een precies begrip voor deze werkzaamheid. Ik stel hier het begrip “deuropener” voor als vertaling van Kauffmans enablement naar de menselijke praktijk, in de hoop dat het kan helpen om scherper te denken over hoe progressie tot stand komt.
Wat is een deuropener?
Een deuropener is een conditie, handeling of ervaring die een mogelijkheidsruimte opent die voorheen gesloten was, zonder te bepalen of en hoe die ruimte wordt benut. De metafoor is bewust gekozen. Een geopende deur veroorzaakt niet dat iemand erdoorheen loopt. Maar zolang de deur dicht is, is doorlopen onmogelijk. En soms is de deur niet eens zichtbaar: pas wanneer iemand of iets de deur aanwijst of opent, wordt de mogelijkheid die erachter ligt waarneembaar. Wie de deur opent of zichtbaar maakt doet iets dat ertoe doet, iets zonder hetwelk de uitkomst niet kon plaatsvinden, maar de keuze om door de deur te gaan en wat er aan de andere kant gebeurt, blijft bij de persoon.
Dit onderscheid is belangrijk. Het verschil tussen een deuropener en een directe oorzaak heeft consequenties voor hoe we interventies begrijpen, ontwerpen en evalueren. Een instructie kunnen we misschien meer als een duw zien dan als een deuropener. Een beloning lijkt meer op een lokmiddel dan op een deuropener. Een deuropener verandert de mogelijkheidsruimte en laat de persoon zelf bepalen wat ermee te doen. Dit lijkt nauw aan te sluiten bij het kernprincipe van de zelfdeterminatietheorie. Edward Deci (2012) formuleerde het als volgt:
Vraag niet hoe je andere mensen kunt motiveren. Dat is de verkeerde manier om erover na te denken. Vraag je in plaats daarvan af hoe je de condities kunt creëren waarbinnen anderen mensen zichzelf kunnen motiveren.
Deuropeners zouden wel eens de concretisering van dat principe kunnen zijn.
Deuropeners zijn geen directe oorzaken
Het is de moeite waard om expliciet te zijn over wat deuropeners niet zijn, juist omdat de gangbare manier van denken over interventies causaal is. De vraag die onderzoekers doorgaans stellen is: werkt deze interventie? Produceert ze het gewenste effect? Dat is een causale vraag, en ze leidt tot een causaal antwoord: ja of nee, met een effectgrootte. Maar als de interventie een deuropener is, dan is die vraag mogelijk verkeerd gesteld. Een deuropener “werkt” niet in de zin dat ze een effect produceert. Ze opent een mogelijkheid. Of de persoon daadwerkelijk door de geopende deur loopt, hangt af van de verdere condities.
Dit zou een patroon kunnen verklaren dat onderzoekers al jaren bezighoudt: waarom zijn de effecten van psychologische interventies vaak klein en heterogeen? Waarom werkt een groeimindsetinterventie in de ene context wel en in de andere niet (Yeager et al., 2019)? Waarom variëren de effecten van sociale-belonging-interventies sterk tussen populaties (Walton & Cohen, 2011)? De heterogeniteitsgerichte benadering van meta-analyse, bepleit door Tipton et al. (2023) en toegepast door Burnette et al. (2023), heeft laten zien dat de vraag “werkt het?” moet worden vervangen door “voor wie werkt het, onder welke condities?” Het deuropener-begrip lijkt het conceptuele gereedschap te bieden om die vraag te articuleren. De interventie is een deuropener. Of de deur wordt doorgelopen hangt af van de bodem waarin het zaad valt, om de metafoor van Walton en Yeager (2020) te gebruiken.
Deuropeners op verschillende niveaus
Deuropeners opereren vermoedelijk niet op één niveau maar op meerdere niveaus tegelijk, en die niveaus werken op elkaar in.
- Op macroniveau zijn er deuropeners in beleid, cultuur en institutionele structuren. Een onderwijssysteem dat vroege selectie afschaft, opent deuren voor leerlingen die anders op basis van een momentopname zouden zijn ingedeeld. Een samenleving die gelijke toegang tot onderwijs biedt, opent deuren die in een ongelijke samenleving gesloten blijven.
- Op mesoniveau zijn er deuropeners in organisaties, scholen en teams. Een schoolcultuur die fouten behandelt als leerinformatie in plaats van als afrekenpunten, opent de deur naar psychologische veiligheid (Edmondson, 1999), wat op zijn beurt de deur lijkt te openen naar experimenteergedrag en leren. Een organisatie die autonomie biedt in plaats van controle, opent de deur naar intrinsieke motivatie.
- Op microniveau zijn er deuropeners in individuele interacties. Een leraar die zegt “dit is moeilijk en het feit dat je het moeilijk vindt is normaal” opent een deur: de interpretatie verschuift van “ik kan dit niet” naar “dit hoort bij het leren.” Een coach die progressie zichtbaar maakt (“drie maanden geleden kon je dit nog niet, nu wel”) opent de deur naar het besef dat inspanning werkt, wat de bereidheid tot verdere inspanning voedt.
Wat ik hierbij vermoed is dat deze niveaus niet onafhankelijk van elkaar opereren. Een microdeuropener werkt waarschijnlijk beter wanneer de meso- en macrocondities haar ondersteunen. Een groeimindsetinterventie (microdeuropener) heeft meer effect in een schoolcultuur die leren waardeert boven presteren (mesodeuropener) binnen een onderwijssysteem dat ontwikkeling boven selectie stelt (macrodeuropener). Dit sluit aan bij het zaad-en-bodem-principe van Walton en Yeager (2020): de interventie is het zaad, maar het zaad ontkiemt alleen in vruchtbare grond. In deuropener-termen: een micro-deuropener opent een deur, maar of die deur ergens toe leidt hangt vermoedelijk af van of de deuren op meso- en macroniveau ook open zijn. Walton en Yeager (2020) spreken in dit verband over psychologische affordanties: de kenmerken van de context die bepalen of een interventie (het zaad) kan ontkiemen en gedragsverandering kan opleveren (de bodem).
Deuropeners in sequentie: de adjacent possible
Naast de verticale differentiatie naar niveaus is er een horizontale dimensie die minstens zo belangrijk lijkt: deuropeners liggen in elkaars verlengde. Elke geopende deur onthult nieuwe deuren die eerder onzichtbaar waren. Dit is de directe vertaling van Kauffmans concept van de adjacent possible: de mogelijkheidsruimte die zich uitbreidt met elke stap die wordt gezet. Voordat de eerste deur opengaat, is de tweede deur niet alleen gesloten maar onzichtbaar. Je kunt niet weten welke mogelijkheden er achter een gesloten deur liggen totdat je erdoorheen bent.
Een leerling die door een mindset-deuropener voor het eerst een uitdaging aangaat in plaats van die te vermijden, ontdekt dat doorzetten werkt. Die ervaring opent een volgende deur: de bereidheid om een moeilijker vak te kiezen. Die keuze opent weer een volgende deur: de toegang tot een studierichting die eerder ondenkbaar leek. Elke stap in deze sequentie was onvoorspelbaar vanuit het perspectief van de vorige stap. De leerling kon de derde deur niet zien toen de eerste nog dicht was.
Dit sequentiële karakter heeft een implicatie die het overdenken waard is. Het zou kunnen betekenen dat we principieel niet kunnen weten waar iemands mogelijkheden ophouden. Ik noem dit de plafondillusie. We kunnen het zogenaamde “plafond” van iemand niet kennen, niet omdat we nog niet goed genoeg meten, maar omdat het plafond zelf afhangt van deuren die nog niet zijn geopend en die we pas kunnen zien wanneer eerdere deuren open zijn. Wie beweert te weten wat iemands grens is, maakt dan een uitspraak die epistemisch niet gerechtvaardigd is. We weten alleen welke deuren tot nu toe open of dicht zijn, niet welke deuren er nog komen.
Cumulativiteit: het verschil dat deuropeners over tijd maken
Het sequentiële karakter van deuropeners heeft nog een tweede implicatie die raakt aan een van de hardnekkigste debatten in de psychologie: het debat over aanleg versus omgeving. Als deuropeners cumulatief werken, en daar lijkt veel voor te pleiten, dan produceren kleine initiële verschillen in beschikbare deuropeners, herhaald over jaren, enorme uitkomstverschillen. Een kind dat opgroeit in een omgeving rijk aan deuropeners (uitdaging die past bij het niveau, autonomie-ondersteuning, zichtbare progressie, een cultuur die leren waardeert) doorloopt duizenden keren de positieve cyclus. Een kind in een omgeving arm aan deuropeners doorloopt duizenden keren de tegenovergestelde cyclus: vermijding, oppervlakkige inspanning, stagnatie, bevestiging van een negatief zelfbeeld.
Na twintig jaar zijn de verschillen enorm. En ze zien eruit als aangeboren talentverschillen. Maar ze zijn mogelijk in belangrijke mate het product van cumulatieve deuropeners. Onderzoek naar hoe kortetermijneffecten van interventies uitgroeien tot langetermijneffecten (Hecht et al., 2021) identificeert drie mechanismen die hier goed bij passen.
- Het eerste mechanisme zijn recursieve effecten: feedbacklussen waarin een geopende deur gedrag uitlokt dat de deur verder openzet. Een leerling die door een deuropener ontdekt dat een vak waardevol is, gaat er meer tijd aan besteden, ontdekt daardoor nieuwe aspecten die waardevol zijn, en besteedt er vervolgens nog meer tijd aan. De deuropener zet een zelfversterkend proces in gang dat zichzelf in stand houdt, ook wanneer de oorspronkelijke interventie al lang voorbij is.
- Het tweede mechanisme zijn domino-effecten: een geopende deur die toegang geeft tot nieuwe contexten die op hun beurt nieuwe deuren bevatten. Een student die door een belonging-interventie het gevoel krijgt erbij te horen, durft een uitdagend vak te kiezen, komt daardoor in contact met een inspirerende docent, en kiest uiteindelijk een studierichting die zonder die eerste deuropener onzichtbaar was gebleven. Hier werkt de deuropener niet via versterking van hetzelfde proces maar via een keten van nieuwe mogelijkheden.
- Het derde mechanisme zijn latente intrapersoonlijke effecten: een deuropener die een blijvende verandering teweegbrengt in hoe iemand denkt of handelt. Iemand die leert om bij tegenslag niet het eigen vermogen te betwijfelen maar de strategie te herzien, heeft daarmee een duurzaam nieuw patroon verworven. De deuropener is voorbij, maar de verandering in interpretatiestijl blijft en beïnvloedt hoe de persoon toekomstige situaties benadert.
Deze drie mechanismen kunnen gelijktijdig optreden en elkaar versterken, wat verklaart waarom sommige ogenschijnlijk kleine interventies verrassend duurzame effecten kunnen hebben.
De dynamiek werkt vermoedelijk ook in omgekeerde richting. Elke deur die gesloten blijft, beperkt niet alleen de huidige mogelijkheden maar ook de zichtbaarheid van toekomstige deuren. Wie niet door de eerste deur gaat, ziet de tweede niet. Wie jarenlang in een omgeving functioneert die deuren sluit, ontwikkelt patronen (vermijding, laag zelfvertrouwen, extrinsieke oriëntatie) die het steeds moeilijker maken om aangeboden deuropeners te benutten, zelfs wanneer die zich voordoen. Er zit traagheid in het systeem: de effecten van eerdere gesloten deuren blijven doorwerken, ook wanneer de omgeving verandert. Dat maakt de zaak complexer dan “open de deur en alles komt goed.” Maar het maakt deuropeners niet minder belangrijk, het benadrukt juist dat ze vroeg en consistent aangeboden zouden moeten worden.
Deuropeners en het cyclisch model van betekenisvolle progressie
Het begrip deuropener verbindt zich op een natuurlijke manier met het cyclisch model van betekenisvolle progressie.
Dat model beschrijft hoe meerdere processen samen een zelfversterkende cyclus van ontwikkeling kunnen vormen. Aan de linkerkant van het model staan de contextfactoren die als deuropeners fungeren: invloeden vanuit de bredere cultuur en instituties, groeimindset-ondersteuning en autonomie-ondersteuning, en de persoonlijke keuzes en neigingen die daaruit voortkomen. Deze contextfactoren voeden twee kernprocessen. Het eerste is een groeimindset: het geloof dat we onze capaciteiten kunnen ontwikkelen en dat progressie mogelijk is. Het tweede is autonome motivatie: de energie voor actie die ontstaat wanneer we ons richten op wat we interessant en belangrijk vinden. Samen openen deze twee processen de deur naar duurzame inspanning: doelgericht, geconcentreerd en volhardend werken, met een accent op leren boven presteren. Die inspanning maakt betekenisvolle progressie mogelijk: vooruitgang boeken in wat we interessant en belangrijk vinden, zowel in persoonlijke en professionele groei als in concrete resultaten. Progressiemonitoring, het zichtbaar maken van die vooruitgang, sluit de cyclus: zichtbare progressie versterkt de groeimindset en de autonome motivatie, wat de cyclus opnieuw in gang zet. Het model laat ook zien dat deze cyclus uitmondt in een optimale leer- en werkervaring en emotioneel welzijn.
Elk van deze processen kan worden begrepen als een deuropener voor het volgende. De contextfactoren openen de deur naar groeimindset en autonome motivatie. Groeimindset en autonome motivatie openen samen de deur naar kwalitatieve inspanning. Kwalitatieve inspanning opent de deur naar betekenisvolle progressie. En zichtbare progressie opent de deur naar versterking van het hele systeem.
In dit model is motivatie niet de motor die de cyclus aandrijft, zoals we geneigd zijn te denken. Motivatie is zelf een deuropener, geopend door behoeftebevrediging en op haar beurt de volgende deur openend. Dat verklaart waarom motivatie zo kwetsbaar is voor contextuele verstoring. Als motivatie een kracht was, een soort biljartbal, dan zou een gemotiveerd persoon gemotiveerd blijven ongeacht de omgeving. Maar dat is niet wat we zien. Motivatie fluctueert met de condities, vermoedelijk juist omdat het geen stabiele kracht is maar een toestand die afhankelijk is van voortdurende enablement door de context.
Wanneer de cyclus draait, versterken de deuropeners elkaar: elke geopende deur maakt de volgende deur makkelijker te openen. Wanneer de cyclus stagneert, geldt het omgekeerde: een gesloten deur op één punt blokkeert de hele keten. Het deuropener-begrip maakt dan zichtbaar waar de keten hapert en waar interventie het meest kansrijk is: niet bij het eindresultaat maar bij de specifieke deur die gesloten is.
De verschuiving die het deuropener-begrip zou kunnen impliceren
Het denken in deuropeners leidt, als de redenering klopt, tot een fundamenteel andere manier van kijken naar menselijk functioneren en ontwikkeling. De gangbare benadering is: beoordeel waar iemand staat, stel vast wat iemands niveau is, en sorteer op grond daarvan. Tests, assessments en selectieprocedures zijn gebouwd op deze logica. Het deuropener-perspectief stelt een andere vraag. Niet: wat is het niveau van deze persoon? Maar: welke deuren zijn open en welke zijn gesloten? Niet: wat kan deze persoon? Maar: welke deuropeners ontbreken er? Niet: heeft deze persoon genoeg capaciteit? Maar: welke mogelijkheidsruimte kunnen we openen?
Deze verschuiving is niet naïef optimistisch. Ze ontkent niet dat er verschillen bestaan in het niveau waarop mensen functioneren. Ze betwist de gangbare interpretatie van die verschillen: niet als weerspiegeling van vaste, aangeboren capaciteiten maar, in elk geval gedeeltelijk, als het cumulatieve product van deuropeners die wel of niet beschikbaar waren. En ze verlegt de verantwoordelijkheid: van de persoon die “niet genoeg capaciteit heeft” naar de omgeving die mogelijk onvoldoende deuren opent.
Edward Deci veranderde het denken over motivatie door te laten zien dat de vraag niet is hoe we mensen kunnen motiveren maar hoe we de condities kunnen creëren waarbinnen mensen zichzelf motiveren (Deci, 2012). Het deuropener-begrip probeert iets vergelijkbaars te doen voor menselijk functioneren in bredere zin. De vraag is niet hoe we mensen kunnen laten presteren. De vraag is welke deuren we kunnen openen.
Deuropeners in de eigen praktijk
Wat zou het concreet betekenen om in deuropeners te denken? Misschien helpt het om een paar vragen mee te nemen naar de eigen praktijk. Wanneer iemand vastloopt: welke deur is gesloten? Is het een mindset-deur (de overtuiging dat dit niet te leren valt), een motivatie-deur (het ontbreken van autonomie of zingeving), een inspannings-deur (wel inspanning maar niet in de leerzone), of een progressie-deur (het niet kunnen zien dat er vooruitgang is)? Wanneer een interventie niet werkt: zou het kunnen dat de interventie op zichzelf een goede deuropener is maar dat de bodem ontbreekt? Zijn de deuren op meso- en macroniveau open genoeg om de microdeuropener ruimte te geven? En misschien de meest fundamentele vraag: wanneer we geneigd zijn om te concluderen dat iemand “niet genoeg capaciteit heeft,” is het dan mogelijk dat we kijken naar gesloten deuren en die verwarren met muren?
Het denken in deuropeners biedt geen garanties. Een geopende deur is geen uitkomst. Maar het verschuift de aandacht naar iets waar we invloed op hebben: de condities die we creëren, de deuren die we openen, de mogelijkheidsruimte die we beschikbaar maken. En het nodigt uit tot bescheidenheid over wat we denken te weten over de grenzen van anderen. Want achter elke deur die we openen, kunnen deuren zichtbaar worden die we niet hadden voorzien.
Referenties
- Burnette, J. L., Billingsley, J., Banks, G. C., Knouse, L. E., Hoyt, C. L., Pollack, J. M., & Simon, S. (2022). A systematic review and meta-analysis of growth mindset interventions: For whom, how, and why might such interventions work? Psychological Bulletin, 149(3-4), 174-205. https://doi.org/10.1037/bul0000368
- Deci, E. L. (2012). Promoting motivation, health, and excellence [Video]. TEDxFlourCity. https://www.youtube.com/watch?v=VGrcets0E6I
- Edmondson, A. (1999). Psychological safety and learning behavior in work teams. Administrative Science Quarterly, 44(2), 350-383. https://doi.org/10.2307/2666999
- Hecht, C. A., Yeager, D. S., Dweck, C. S., & Murphy, M. C. (2021). Beliefs, affordances, and adolescent development: Lessons from a decade of growth mindset interventions. In Advances in child development and behavior (Vol. 61, pp. 169-197). Elsevier. https://doi.org/10.1016/bs.acdb.2021.04.004
- Kauffman, S. A. (2019). A world beyond physics: The emergence and evolution of life. Oxford University Press.
- Longo, G., Montévil, M., & Kauffman, S. A. (2012). No entailing laws, but enablement in the evolution of the biosphere. Proceedings of the 14th International Conference on Genetic and Evolutionary Computation Conference Companion, 1379-1392. https://doi.org/10.1145/2330784.2330946
- Tipton, E., Bryan, C., Murray, J., McDaniel, M. A., Schneider, B., & Yeager, D. S. (2022). Why meta-analyses of growth mindset and other interventions should follow best practices for examining heterogeneity. Psychological Bulletin, 149(3-4), 229-241. https://doi.org/10.1037/bul0000384
- Walton, G. M., & Cohen, G. L. (2011). A brief social-belonging intervention improves academic and health outcomes of minority students. Science, 331(6023), 1447-1451. https://doi.org/10.1126/science.1198364
- Walton, G. M., & Yeager, D. S. (2020). Seed and soil: Psychological affordances in contexts help to explain where wise interventions succeed or fail. Current Directions in Psychological Science, 29(3), 219-226. https://doi.org/10.1177/0963721420904453
- Yeager, D. S., Hanselman, P., Walton, G. M., Murray, J. S., Crosnoe, R., Muller, C., … & Dweck, C. S. (2019). A national experiment reveals where a growth mindset improves achievement. Nature, 573(7774), 364-369. https://doi.org/10.1038/s41586-019-1466-y










0 reacties