Fragment uit Kiezen voor Progressie

Effectief omgaan met nadelen van progressieWet van de remmende voorsprong

In 1937 beschreef de Nederlandse historicus en journalist Jan Romein zijn ‘wet van de remmende voorsprong’ die zegt dat het hebben van een voorsprong op een bepaald gebied kan leiden tot (1) het afnemen van de stimulans om te streven naar verdere vooruitgang, (2) een terughoudendheid om je aan te passen aan veranderingen en (3) een onvermogen om je aan te passen aan veranderingen. Als resultaat hiervan wordt het individu of de groep die eerst een voorsprong had, ingehaald door anderen. In cybernetische termen treedt een mechanisme van negatieve feedback op wat neerkomt op het volgende: A veroorzaakt B wat een afname van A veroorzaakt. Met andere woorden: de output van het systeem verzet zich tegen de input van het systeem wat het systeem stabiliseert. Dit negatieve feedbackmechanisme kan een handicap voor het systeem worden wanneer de omgeving verandert en andere en hogere eisen stelt. Op deze manier kan het bestaan van succes leiden tot een afname in inspanningen wat toekomstig succes kan ondermijnen.

 

De illusie van het bereikte doel

De hypothese dat bereikt succes de motivatie om je verder in te spannen kan ondermijnen, wordt bevestigd door onderzoek van Fishbach & Dahr (2005). Deze onderzoekers ontdekten dat wanneer mensen hun aandacht richten op de progressie die ze al hebben geboekt, ze hun gerichtheid op hun doel deels kunnen verliezen en meer open gaan staan voor andere informatie en doelen. Bereikte progressie kan verdere progressie dus, onder bepaalde omstandigheden, ondermijnen. Een onderzoek van Koo & Fishbach (2008) laat zien dat een dergelijke afname in doelgerichte motivatie alleen plaatsvindt als de bereikte progressie wordt gezien als het al ten dele hebben bereikt van het doel. Je zou dit het probleem van de illusie van het bereikte doel kunnen noemen. Maar wanneer de doelgerichte acties die we hebben gepleegd daarentegen worden gezien als een bewijs van onze commitment aan ons doel, wordt onze doelgerichte motivatie juist groter.

 

Kijken naar bereikte en te bereiken progressie

Om de illusie van het bereikte doel te voorkomen, moeten we dus niet alleen focussen op bereikte progressie. We moeten deze focus in balans brengen met een focus op onze commitment om verdere progressie te boeken. Regelmatig hoor ik mensen opperen dat we vaker successen moeten vieren. Iemand vertelde me bijvoorbeeld een keer dat hij elke vergadering wilde beginnen met 10 minuten vieren van successen. Dit klinkt sympathiek. Wat zou er op tegen kunnen zijn? Maar als we kijken naar hoe de perceptie van succes je verdere motivatie kan verminderen, moeten we misschien toch voorzichtig zijn met het structureel vieren van successen. Het lijkt me beter om de aandacht te richten op het ‘de goede kant op gaan’. Het gevoel hebben van ‘het gaat de goede kant op’ is in veel situaties misschien wel het beste gevoel dat je kunt hebben. Er spreekt niet alleen uit dat je al progressie boekt maar ook dat je gemotiveerd bent om verdere progressie te boeken. Nog beter is het dus misschien om in vergaderingen altijd twee vragen tegelijk centraal te stellen: (1) welke betekenisvolle progressie hebben we de afgelopen week bereikt? en (2) welke betekenisvolle progressie willen we de komende week graag bereiken? Door dit te doen kun je de beleving van progressie koppelen aan je commitment om verder te gaan met progressie boeken.

 

Progressie schept ongelijkheid

Er zijn nog twee manieren waarop het bereiken van progressie een zelfremmend effect kan opleveren. De eerste manier waarop dat kan gebeuren, heeft te maken met ongelijkheid. Laten we dit het progressie-ongelijkheidsprobleem noemen. Progressie leidt in eerste instantie vaak tot ongelijkheid (zie ook Deaton, 2013). Bijvoorbeeld toen de Westerse landen in de 19e eeuw een enorme progressie in welvaart en levensomstandigheden begonnen te realiseren die in hoge mate te maken hadden met industrialisatie, namen zij een enorme voorsprong op de rest van de wereld. Er ontstond hierdoor een grote kloof tussen de Westerse landen en de rest van de wereld. Dit was niet alleen een kloof in welvaart en gezondheid maar ook in macht. Ook binnen landen treden dit soort effecten op.

China is een land dat de afgelopen decennia een immense economische groei heeft doorgemaakt die gepaard is gegaan met betere levensomstandigheden voor veel Chinezen. Dat China economisch is opgekomen, draagt bij aan het kleiner worden van de kloof tussen landen. China loopt namelijk snel in op de Westerse wereld. Tegelijkertijd is het zo dat de verschillen binnen China oplopen. Progressie vindt zelden gelijkmatig verspreid plaats. Door progressie ontstane ongelijkheid kan er, in het gunstigste geval, toe leiden dat de ‘achterhoede’ zich geïnspireerd voelt door de ‘voorhoede’ om ook progressie te boeken. In dat geval is er sprake van een zelfversterkend progressie-effect, ofwel een opwaartse spiraal. Maar de toegenomen verschillen binnen het land kunnen intern ook voor machtsongelijkheid en spanningen zorgen. Dit soort problemen, machtsongelijkheid en spanningen, kunnen verdere progressie bedreigen en leiden tot een zelfremmend progressie-effect. Dit kan onder andere gebeuren doordat de rijke elite dingen doet die de progressie van de rest van het land ondermijnen. Denk hierbij aan het beïnvloeden van belastingwetgeving of aan het ondermijnen van democratische processen, zoals we momenteel in de Verenigde Staten kunnen zien gebeuren.

De geschiedenis heeft vele voorbeelden laten zien van elites die het belang van de massa niet trachtten te bevorderen en die vooral blokkades opwierpen voor de massa om zich ook te ontwikkelen. Ook kan de kloof tussen rijk en arm (of meer in het algemeen geformuleerd, tussen voorhoede en achterhoede) vergroot worden door het eerder genoemde Matteüseffect. En ten slotte kan de kloof tussen de voorhoede en de achterhoede vergroot worden doordat de achterhoede zich distantieert van en afzet tegen de voorhoede en niet bereid is om zelf ook toe te passen wat de voorhoede succesvol heeft toegepast. Wellicht heeft dit te maken met een ‘not invented here’ effect. Dit effect verwijst naar een onwil, vaak vanuit een misplaatste trots, van mensen om oplossingen voor problemen toe te passen die door anderen zijn bedacht.

 

Hoe gaan we om met progressie van anderen?

Progressieremmende effecten kunnen ook plaatsvinden op kleinere schaal. Wanneer een individu snelle progressie boekt en anderen in zijn omgeving niet, ontstaat er een kloof tussen deze persoon en zijn sociale omgeving. De ongelijkheid die daardoor ontstaat, kan leiden tot spanning. Dit heeft te maken met het feit dat mensen sterk geneigd zijn om zich met elkaar te vergelijken. Leon Festinger (1954) formuleerde de sociale vergelijkingstheorie (zie ook Wills, 1981). Deze theorie gaat over hoe mensen zichzelf evalueren door zichzelf met anderen te vergelijken. Ze doen dit niet alleen om een accuraat zelfbeeld te krijgen maar ook om een positief beeld van zichzelf te behouden. Dit tweede motief heet het zelfverheffingsmotief. Dit zelfverheffingsmotief is een sterk motief dat invloed heeft op hoe we ons vergelijken met anderen en op met wie we ons vergelijken. We kunnen bijvoorbeeld neerwaartse vergelijkingen gebruiken om ons goed te voelen over onszelf en we kunnen opwaartse vergelijkingen gebruiken om onszelf te laten inspireren.

Er zijn diverse strategieën bekend die mensen gebruiken om hun gevoel van eigenwaarde te beschermen. Als we in aanraking komen met buitengewone prestaties of progressie van andere mensen kan dit ons gevoel van eigenwaarde bedreigen. Als die andere persoon blijkbaar zo geweldig is, hoe on-geweldig maakt dat mij dan wel niet? De sociale vergelijkingstheorie zegt dat wanneer we geconfronteerd worden met andermans progressie we bewust of onbewust verschillende strategieën kunnen gebruiken om ons gevoel van eigenwaarde te beschermen: (1) de andere persoon overtreffen, op een eerlijke of oneerlijke manier, (2) de prestaties van de ander kleineren en (3) de ander uit de buurt blijven. Het bereiken van grote progressie van een individu kan dus leiden tot dit soort belemmerende weerstandsreacties van zijn of haar omgeving. Progressie-remmende effecten kunnen dus zowel door de voorhoede worden veroorzaakt (door belemmeringen op te werpen) als door de achterhoede door oppositie te creëren tegen de voorhoede in plaats van zich op te trekken aan die voorhoede. Beide soorten acties zijn voorbeelden van hoe progressie relaties onder druk kan zetten.

 

Mikken op het verkleinen van de kloof

Het niet meer mikken op progressie is geen goede oplossing om het progressie-ongelijkheidsprobleem op te lossen of te voorkomen. Het streven naar progressie zit in ons. Als ik het progressie-ongelijkheidsprobleem probeer te voorkomen door geen progressie te boeken, zorg ik er slechts voor dat ik in een achterhoede kom. Anderen zullen namelijk gewoon doorgaan met progressie boeken. Het progressie-ongelijkheidsprobleem kan niet helemaal voorkomen worden. Wel kunnen de gevolgen ervan geminimaliseerd worden. Wat kan helpen is om, via spelregels of wetgeving, te bereiken dat de kloof tussen de voorhoede en de achterhoede zo klein mogelijk blijft. Alle kloof-verkleinende acties, zowel ondernomen door de voorhoede als de achterhoede, kunnen het progressie-ongelijkheidsprobleem zo klein mogelijk houden.

 

Progressie schept ook onvoorziene nieuwe problemen

Er is nog een ander type progressie-remmend effect dat kan optreden. Dat heeft te maken met het feit dat progressie vaak op onverwachte wijze, naast voordelen, ook nieuwe problemen creëert. Laten we dit het progressie-nadelenprobleem noemen. De vele technologische ontwikkelingen die er in de afgelopen decennia zijn geweest, hebben ons leven bijvoorbeeld niet alleen veel gemakkelijker en plezieriger gemaakt. Ze hebben ook nieuwe problemen veroorzaakt. Mede door technologie hebben we meer vrije tijd gekregen en hoeven we minder fysiek belastend werk te doen. Door liften hoeven we de trap niet meer te nemen. We hoeven niet meer naar de winkel te lopen maar nemen lekker comfortabel de auto. Als we iemand iets willen vertellen, hoeven we niet naar hem toe te gaan. We sturen hem gewoon een mailtje of een WhatsApp berichtje.

Hoe comfortabel dit ook allemaal is, deze lichamelijke inactiviteit is, in de woorden van Erik Scherder (2014), een sluipmoordenaar die per jaar vermoedelijk evenveel dodelijke slachtoffers maakt als roken. Een inactieve levensstijl draagt bij aan de ontwikkeling van allerlei problemen en stoornissen die een relatie hebben met het brein. Onderzoek heeft bijvoorbeeld een relatie aangetoond tussen lichamelijke inactiviteit en een verminderde alertheid, eenzaamheid, gebrekkige impulsbeheersing, initiatiefloosheid, angst, verdriet, pijn, chronische stress, dementie en depressie.

Zo zijn er veel meer voorbeelden te bedenken van hoe progressie ook nieuwe problemen kan veroorzaken. Denk maar aan hoe het beschikbaar komen van fossiele brandstoffen grote voordelen heeft gehad, zoals dat we allemaal veel mobieler zijn geworden. Maar zoals nu goed bekend is, is er een grote keerzijde: het overmatig gebruik van fossiele brandstoffen heeft namelijk ook bijgedragen aan het ontstaan van een serieuze milieuproblematiek waar we nu mee te maken hebben en die we moeten zien op te lossen. Op individueel niveau kan progressie ook leiden tot nieuwe en onvoorziene problemen. Als iemand bijvoorbeeld door vele inspanningen kennis, invloed, bekendheid en rijkdom heeft verworven, zijn er waarschijnlijk niet alleen voordelen waarmee de persoon wordt geconfronteerd maar ook nieuwe problemen, zoals nieuwe verantwoordelijkheden en zorgen of het verlies aan anonimiteit.

 

Het belang van voortdurende progressiegerichtheid

De zelfremmende effecten van progressie vormen een reëel probleem. De oplossing van dit probleem ligt niet in het trachten te vermijden van progressie. Zoals ik in hoofdstuk 2 beargumenteerde, is het ondenkbaar dat wij als mensen ons streven naar progressie loslaten. Maar bovendien zou het loslaten van onze progressiegerichtheid helemaal geen goede oplossing zijn. Als we geen progressie zouden boeken, zouden we weliswaar de genoemde soorten nadelen mogelijk kunnen vermijden maar we zouden ook de voordelen van de progressie mislopen. En deze voordelen zijn, zeker aanvankelijk, vaak groter dan de nadelen. Als we de nieuwe problemen die zijn ontstaan door progressie echter gedurende lange tijd niet oplossen, kunnen de nadelen steeds groter worden en de voordelen op een gegeven moment misschien zelfs gaan overvleugelen.

De beste manier om met het progressie-nadelenprobleem om te gaan, is accepteren dat progressie altijd ook nadelen kan hebben en deze nieuwe problemen vervolgens op te lossen. Wat we het beste kunnen doen, is ons voorbereiden op een realiteit waarin we voortdurend progressiegericht zijn. De geschiedenis laat zien dat we op die manier voor nieuwe en onvoorziene problemen ook nieuwe en onvoorziene oplossingen weten te bedenken.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (3)
  • Bruikbaar (1)