Vluchtige generalisatie: waarom sociaal pessimisme en ondersocialiteit blijven bestaan

door | feb 24, 2026 | Bias, Progressiegericht werken | 0 Reacties

Vluchtige generalisatie: waarom sociaal pessimisme en ondersocialiteit blijven bestaan

Epley et al. (2022) toonden aan dat mensen de neiging hebben om minder sociale contacten aan te gaan dan goed zou zijn voor hun eigen welzijn. Zij noemden dit verschijnsel ondersocialiteit. Uit hun onderzoek bleek dat we sociaal pessimistisch zijn. We onderschatten hoeveel we van gesprekken met onbekenden zullen genieten, hoeveel we ervan leren, en hoe weinig ongemakkelijk ze in werkelijkheid zijn. Maar als we dan toch zo’n gesprek hebben en merken dat het meevalt, waarom passen we onze verwachtingen dan niet duurzaam aan? Nieuw onderzoek van Atir en Epley (2026) onderzocht deze vraag en ontdekte een patroon dat ze fleeting generalization noemen, in het Nederlands te vertalen als vluchtige generalisatie. Hieronder beschrijf ik dit onderzoek en de bevindingen, en deel ik mijn eigen gedachten erover. Daarbij relateer ik vluchtige generalisatie aan eerder onderzoek naar onder andere de liking gap en het spotlighteffect.

Het onderzoek

Atir en Epley voerden drie longitudinale experimenten uit (met in totaal 780 deelnemers) waarin ze mensen koppelden aan een onbekende gesprekspartner voor een tienminutengesprek via videoconferentie. Vóór het gesprek rapporteerden deelnemers hun verwachtingen: hoe leuk, interessant en leerzaam ze verwachtten dat het gesprek zou zijn, en hoe moeilijk en ongemakkelijk. Direct na het gesprek rapporteerden ze hun werkelijke ervaring. Vervolgens rapporteerden ze hun verwachtingen voor een volgend gesprek met een vreemde, zowel direct na het eerste gesprek als één tot twee weken later, vlak voor dat tweede gesprek plaatsvond. Door sommige deelnemers in een controleconditie te plaatsen (een pauze nemen of een TED-talk kijken in plaats van een gesprek voeren) konden de onderzoekers het effect van de gesprekservaring isoleren van andere factoren.

Bevindingen

De resultaten waren consistent over alle drie de experimenten. Zoals verwacht op basis van eerder onderzoek naar ondersocialiteit (Epley et al., 2022) waren deelnemers te pessimistisch: het gesprek met een vreemde was leuker, interessanter en minder ongemakkelijk dan verwacht. Direct na het gesprek stelden deelnemers hun verwachtingen bij: ze verwachtten dat een volgend gesprek positiever zou zijn. Tot zover goed nieuws. Maar hier openbaarde zich vluchtige generalisatie: binnen één à twee weken waren die bijgestelde optimistische verwachtingen grotendeels weer verdwenen. Vlak voor het tweede gesprek waren de verwachtingen van mensen die eerder een positief gesprek hadden gehad, nauwelijks te onderscheiden van de verwachtingen van mensen die helemaal geen gesprek hadden gehad. We generaliseren dus wél op basis van onze positieve ervaring, maar die generalisatie is vluchtig.

Een kanttekening bij dit onderzoek is dat het uitsluitend is uitgevoerd met Engelstalige, overwegend Noord-Amerikaanse deelnemers. Of vluchtige generalisatie op dezelfde manier optreedt in verschillende culturen is nog een open vraag.

Reflecties van de auteurs

Atir en Epley testten drie mogelijke verklaringen voor vluchtige generalisatie.

  • De eerste is geheugenverval: mensen herinneren zich hun gesprekken na twee weken als minder positief dan ze die direct erna hadden ervaren. Dit bleek inderdaad het geval, maar het geheugenverval was kleiner dan de terugval in verwachtingen — het is dus slechts een gedeeltelijke verklaring.
  • De tweede verklaring is smalle attributie: mensen schrijven de positieve ervaring eerder toe aan de specifieke gesprekspartner (“die persoon was leuk”) dan aan gesprekken met vreemden in het algemeen. Hiervoor vonden ze enige steun — mensen generaliseerden meer naar dezelfde persoon dan naar een nieuwe.
  • De derde verklaring is terugval naar generieke overtuigingen: direct na een gesprek baseren mensen hun verwachtingen op hun concrete ervaring, maar naarmate die herinnering vervaagt, gaan abstractere en pessimistischere schema’s weer domineren.

De auteurs vinden deze bevindingen relevant in het licht van de toenemende aandacht voor eenzaamheid als maatschappelijk probleem. Als zelfs positieve ervaringen niet duurzaam corrigeren, dan zijn eenmalige interventies waarschijnlijk onvoldoende om sociaal pessimisme en ondersocialiteit blijvend te veranderen. Ze suggereren dat interventies zich zouden moeten richten op het helpen vasthouden van positieve herinneringen, bijvoorbeeld door bewust terug te blikken op sociale ervaringen.

Mogelijke relaties met andere begrippen

Ik vind dit onderzoek interessant en het voegt iets toe aan wat we al wisten over sociaal pessimisme.

  • Neem de liking gap (Boothby et al., 2018): onderzoek liet zien dat we na een gesprek systematisch onderschatten hoe aardig de ander ons vindt. We focussen op onze eigen zelfkritische gedachten en merken onvoldoende op dat de ander positieve signalen geeft — bij korte gesprekken, bij langere gesprekken, en zelfs bij langdurende relaties. Eerder schreef ik hier al over (zie hier). Vluchtige generalisatie voegt daar een tijdsdimensie aan toe: zelfs als een positieve ervaring ons sociaal pessimisme tijdelijk corrigeert, ebt die correctie weg. Samen verklaren deze verschijnselen waarom ondersocialiteit zo hardnekkig is. Wat ik daarbij interessant vind is een mogelijke link die de auteurs zelf niet leggen. De liking gap zou weleens kunnen bijdragen aan vluchtige generalisatie. Stel: je hebt een goed gesprek, maar je denkt — vanwege de liking gap — dat de ander het minder positief heeft ervaren dan jij. Je encodeert de ervaring dus al met een pessimistisch bijschrift. Naarmate de levendige herinnering aan het gesprek vervaagt, blijft juist die pessimistischere interpretatie over.
  • Iets vergelijkbaars geldt voor het spotlighteffect — de neiging om te overschatten hoezeer anderen op ons letten (Gilovich et al., 2000). Als je na een gesprek terugdenkt aan momenten waarop je misschien iets onhandigs zei, voedt dat de zelfkritische gedachten die het positieve gevoel na verloop van tijd verdringen.
  • Een rol zou ook gespeeld kunnen worden door de negativiteitsbias (Baumeister et al., 2001): negatieve informatie weegt over het algemeen zwaarder dan positieve. De positieve ervaring van een gesprek corrigeert tijdelijk, maar de negatief gekleurde basisovertuigingen over sociale interactie zijn cognitief duurzamer en herwinnen geleidelijk terrein.

Wat kunnen we eraan doen?

Atir en Epley testen geen interventie tegen vluchtige generalisatie, maar suggereren in hun discussie dat bewust terugblikken op positieve sociale ervaringen de bijstelling mogelijk kan helpen vasthouden. Dit is niet onderzocht, maar het is een interessante hypothese die aansluit bij wat in progressiegericht werken al gangbaar is: mensen helpen om expliciet stil te staan bij wat goed ging. Het zou de moeite waard zijn om te onderzoeken of praktijken als de waarderingsmuur en regelmatig reflecteren op voldoening schenkende momenten en op bereikte progressie — naast het tegenwicht bieden tegen de liking gap — ook positieve sociale ervaringen kunnen verankeren en zo vluchtige generalisatie kunnen verminderen.

Referenties

  • Atir, S., & Epley, N. (2026). Fleeting generalization: How unstable belief updating keeps people overly pessimistic about talking to strangers. Journal of Personality and Social Psychology. https://doi.org/10.1037/pspa0000483
  • Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Finkenauer, C., & Vohs, K. D. (2001). Bad is stronger than good. Review of General Psychology, 5(4), 323–370. https://doi.org/10.1037/1089-2680.5.4.323
  • Boothby, E. J., Cooney, G., Sandstrom, G. M., & Clark, M. S. (2018). The liking gap in conversations: Do people like us more than we think? Psychological Science, 29(11), 1742–1756. https://doi.org/10.1177/0956797618783714
  • Epley, N., Kardas, M., Zhao, X., Atir, S., & Schroeder, J. (2022). Undersociality: Miscalibrated social cognition can inhibit social connection. Trends in Cognitive Sciences, 26(5), 406–418. https://doi.org/10.1016/j.tics.2022.02.007
  • Gilovich, T., Medvec, V. H., & Savitsky, K. (2000). The spotlight effect in social judgment: An egocentric bias in estimates of the salience of one’s own actions and appearance. Journal of Personality and Social Psychology, 78(2), 211–222. https://doi.org/10.1037/0022-3514.78.2.211

 

Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (0)
  • Bruikbaar (0)

0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Voeg je bij 542 andere abonnees
 

► UPDATES & REACTIES

  1. Coert Visser
  2. Coert Visser
  3. Coert Visser
  4. Coert Visser
  5. Coert Visser
  6. Coert Visser
  7. Coert Visser
  8. Coert Visser
  9. Coert Visser