Stel, je wilt iets belangrijks verbeteren. Je werksituatie, je team, de organisatie waarvoor je werkt, of de samenleving. Wat is dan de eerste vraag die je jezelf stelt? Voor veel mensen is dat: hoe zou de ideale situatie eruitzien? Pas als je weet waar je naartoe wilt, kun je immers bepalen welke stappen je moet zetten. Deze redenering klinkt logisch en is terug te vinden in strategische planning, in missie- en visietrajecten, in het werken met Ist-Soll-analyses en met stippen aan de horizon. Herken je die werkwijze? Vind je haar overtuigend? Er zijn goede redenen om te concluderen dat deze werkwijze die we ideaaldenken zouden kunnen noemen onverstandig is. De Amerikaanse filosofe Elizabeth Anderson laat overtuigend zien waarom.
Een filosofe die bij de werkelijkheid begint
Elizabeth Anderson is een invloedrijke hoogleraar filosofie aan de Universiteit van Michigan. Wat Anderson onderscheidt van veel van haar collega’s is dat ze haar filosofie niet opbouwt vanuit abstracte principes, maar vanuit historische, sociologische en empirische werkelijkheid. Daarmee vertegenwoordigt ze een tegenbeweging binnen een vakgebied dat sinds John Rawls overwegend werkt volgens de zogeheten ideale theorie, de academische naam voor de denkwijze waarin je eerst een beeld van een rechtvaardige samenleving ontwerpt en vervolgens probeert de werkelijkheid daar stapsgewijs naartoe te bewegen.
Kennis van het betere vereist geen kennis van het beste
Anderson vat haar bezwaar tegen die denkwijze samen in een treffende zin: knowledge of the better does not require knowledge of the best. Om te weten hoe iets beter kan, hoef je niet eerst te weten hoe het volmaakt zou zijn. De tegenovergestelde gedachte berust op een misverstand over hoe normatief denken werkt. In navolging van John Dewey stelt Anderson dat moreel en politiek denken ontstaat als respons op praktische problemen. We weten doorgaans dat er iets mis is voordat we weten hoe het op te lossen, en het is precies dat besef dat aanzet tot verder denken. Het startpunt is niet een visioen van volmaaktheid, maar een gevoelde misstand.
Daar komt bij dat we het ideaal eigenlijk helemaal niet kunnen kennen. De normatieve categorieën waarmee mensen over honderd jaar zullen denken, bestaan nu nog niet. Anderson geeft zelf het voorbeeld van de milieufilosofie. Een paar generaties geleden bestond dat vakgebied niet, en niemand had destijds een ideale samenleving kunnen ontwerpen waarin de huidige zorgen over ecosystemen al een plek hadden. Hetzelfde geldt voor toekomstige vraagstukken die wij nu nog niet kunnen overzien. Een ideaal dat vandaag compleet lijkt, mist morgen bijna zeker iets wezenlijks.
Drie concrete bezwaren
Vanuit die basishouding voert Anderson drie bezwaren aan tegen het werken vanuit een ideaalbeeld.
- Het eerste bezwaar noemt zij relevance. Als je principes afleidt uit een beeld van een ideale samenleving bewoond door ideale mensen, dan sluiten die principes per definitie slecht aan bij de motivationele en cognitieve vermogens van werkelijke mensen, zoals die nu eenmaal zijn. Een rechtvaardigheidsbeginsel dat alleen werkt voor volmaakt rationele burgers zegt weinig over wat wij in onze werkelijke wereld zouden moeten doen.
- Het tweede bezwaar noemt zij de idealization gap fallacy. Zodra je een ideaal formuleert, ga je elke afstand tussen dat ideaal en de werkelijkheid behandelen als een probleem dat direct en lineair moet worden verkleind. Dat leidt tot averechtse uitkomsten. Haar eigen voorbeeld is het ideaal van kleurenblindheid. Als de ideale samenleving er een zou zijn waarin huidskleur geen rol speelt, lijkt het logisch om nu al een beleid te voeren dat huidskleur negeert. Maar in een samenleving waarin racisme diep verankerd is, laat zo’n beleid de bestaande ongelijkheid ongemoeid. Zonder erkenning van de ongelijkheid kun je haar niet bestrijden.
- Het derde bezwaar noemt zij occlusion, afscherming. Ideale theorie onttrekt problemen in onze eigen wereld aan het zicht, omdat die problemen in het ideaalmodel niet voorkomen. Rawls bouwt zijn rechtvaardigheidstheorie op vanuit een representatief individu dat wel een klassepositie heeft, maar geen huidskleur, geen gender, en geen lichamelijke beperking. Vanuit die abstractie is onmogelijk te zien dat iemand op de huizenmarkt wordt afgewezen vanwege een buitenlands klinkende achternaam, dat vrouwen minder verdienen voor hetzelfde werk, of dat een rolstoelgebruiker geen toegang heeft tot het gemeentehuis. Het ideaal fungeert als een filter dat precies die vormen van onrecht wegfiltert die concrete mensen in hun dagelijks leven raken.
Andersons non-ideale theorie
Andersons non-ideale theorie komt neer op het het volgende”.
In non-ideale theorie begint het normatieve onderzoek met het identificeren van een probleem, vervolgens wordt gezocht naar de mechanismen achter het probleem om te bepalen wat er aan gedaan kan en moet worden en wie daarvoor verantwoordelijk is, en tenslotte wordt bekeken hoe de onrechtvaardige mechanismen die het probleem in stand houden kunnen worden ontmanteld.
Ze vergelijkt deze werkwijze zelf met die van de geneeskunde. Een arts begint niet bij het beeld van een ideaal gezond mens, maar bij de symptomen van een patiënt. Vanuit die symptomen wordt gezocht naar een diagnose, vanuit de diagnose naar een behandeling, en vanuit de behandeling naar evaluatie en bijstelling. Non-ideale theorie formuleert, in Andersons eigen woorden, hypothesen die door ervaring getoetst worden, en door reflectie op die ervaring ontstaan nieuwe maatstaven voor succesvol handelen.
De status van idealen
Anderson verwerpt idealen niet, en haar methode is geen kortzichtig pragmatisme. In een interview uit 2019 met Oxford Political Review verzet ze zich zelfs tegen de gangbare dichotomie tussen ideaal en non-ideaal, omdat die al veronderstelt dat je ideale principes in abstractie kunt genereren en vervolgens kunt toepassen op een empirische werkelijkheid. Haar eigen methode noemt ze liever praktijkafhankelijk. Richtinggevende voorstellingen van een betere toestand zijn niet verboden, maar ze verdienen een andere status dan ideale theorie hen geeft. Ze zijn feilbaar, voorlopig, onderhevig aan herziening door ervaring, en ze worden gaandeweg bijgesteld door wat het handelen aan het licht brengt. Een arts heeft ook een beeld voor ogen van hoe het beter zou kunnen met deze patiënt, en dat beeld geeft richting, maar het is een bescheiden beeld: concreet, lokaal, dichtbij in tijd, en bereid zichzelf te laten corrigeren.
Een parallel in loopbaanonderzoek
Anderson staat met deze positie niet alleen. Vergelijkbare inzichten zijn te vinden in domeinen waar mensen werken met complexiteit en onzekerheid. Een mooi voorbeeld is het werk van de hoogleraar organisatiegedrag Herminia Ibarra over loopbaanontwikkeling. Op basis van empirisch onderzoek beschrijft zij twee manieren van werken. De eerste noemt ze het plannen-en-implementeren model: eerst uitgebreid analyseren en reflecteren, dan een helder beeld vormen van de gewenste eindsituatie, en pas daarna gaan handelen. De tweede noemt ze het testen-en-leren model: beginnen bij waar je nu staat, een kleine stap zetten, kijken wat er gebeurt, en op basis daarvan je beeld en je volgende stap bijstellen. Haar onderzoek laat zien dat succesvolle loopbaanveranderingen vrijwel nooit volgens het eerste model verlopen en bijna altijd volgens het tweede. Het einddoel is in dat model geen vastliggend plaatje maar iets dat zich ontwikkelt terwijl het proces vordert. Ook in de progressiegerichte benadering, zoals die in coaching en organisatieontwikkeling wordt toegepast, is dezelfde logica terug te vinden.
Slot
De gangbare intuïtie waar we mee begonnen, namelijk dat je eerst het ideaal moet kennen om eraan te kunnen werken, is fout. Het ideaal onttrekt zich aan onze voorkennis, het vertroebelt onze blik op de werkelijkheid, en het scheept ons op met oplossingen die in de praktijk averechts werken. Andersons kerninzicht is bevrijdend in zijn eenvoud: knowledge of the better does not require knowledge of the best. Om te weten hoe iets beter kan, hoeven we niet eerst te weten hoe het volmaakt zou zijn. We hoeven alleen te zien waar we staan, te onderzoeken wat een volgende werkbare verbetering zou zijn, die stap te zetten, en te leren van wat er gebeurt. De vraag is niet hoe ver we nog van het ideaal verwijderd zijn, maar wat vanaf hier de eerstvolgende werkbare verbetering is.
Literatuur
- Anderson, E. (2010). The Imperative of Integration. Princeton University Press.
- Carroll, S. (Host). (2021, 22 maart). Elizabeth Anderson on equality, work, and ideology (aflevering 139) [Audiopodcast]. Mindscape. https://www.preposterousuniverse.com/podcast/2021/03/22/139-elizabeth-anderson-on-equality-work-and-ideology/
- Ibarra, H. (2023). Working Identity: Unconventional Strategies for Reinventing Your Career. Harvard Business School Press.
- Wong, B. (2019, 25 juli). On the democracy of equals: An interview with Prof. Elizabeth Anderson. Oxford Political Review. https://oxfordpoliticalreview.com/2019/07/25/on-the-democracy-of-equals-an-interview-with-prof-elizabeth-anderson/









De filosofie van Elizabeth Anderson wordt in de IT praktijk van alledag al jaren toegepast door te werken volgens het Agile Manifesto, waarvan Scrum wellicht de meest bekende variant is. Scrum past een iteratieve, incrementele aanpak toe om voorspelbaarheid te optimaliseren en risico’s te
beheersen.