Causaliteit heroverwogen (1): niet veroorzaken maar mogelijk maken

door | feb 19, 2026 | Mindset, Progressiegericht werken, Wetenschap, Zelfdeterminatietheorie | 0 Reacties

Stel je twee situaties voor. In de eerste duw je een biljartbal. Hij rolt. De richting en snelheid zijn voorspelbaar uit de kracht en de hoek van je duw. Dit is causaliteit in zijn zuiverste vorm: oorzaak en gevolg, direct en mechanisch. In de tweede situatie open je een deur. Achter die deur ligt een gang met vertakkingen. Wie er doorheen loopt, waarheen, en waarom — dat bepaal jij niet. Je hebt geen effect veroorzaakt. Je hebt iets mogelijk gemaaktDit onderscheid — tussen veroorzaken en mogelijk maken, in het Engels tussen causation en enablement — klinkt misschien als een semantisch verschil. Maar ik denk dat het een van de belangrijkste onbenoemde inzichten is voor iedereen die werkt met motivatie, leren en gedragsverandering. Het verklaart waarom interventies soms “werken” en soms niet. Het verklaart waarom effectgroottes in onderzoek vaak klein zijn. En het verandert de manier waarop we over effectiviteit zouden moeten nadenken — niet alleen van interventies, maar ook van psychologische toestanden als groeimindset en autonome motivatie.

Het biljartbalmodel van de psychologie

De psychologie — en zeker de toegepaste psychologie — denkt grotendeels in termen van biljartballen. Een interventie is een duw; een uitkomst is de richting waarin de bal rolt. Als de bal niet rolt, was de duw niet hard genoeg, of de interventie “werkt niet.” Dit biljartmodel zit diep ingebakken in hoe we onderzoek opzetten en rapporteren. We doen een interventie (de onafhankelijke variabele) en meten een uitkomst (de afhankelijke variabele). We berekenen een effectgrootte. We concluderen dat de interventie “een effect heeft op” de uitkomst, of niet. De hele statistische machinerie — van t-toetsen tot mediatie-analyses — is gebouwd rond dit lineaire, mechanische beeld: input → output.

En het werkt, in sommige domeinen. Farmacologie is misschien grotendeels een biljartbalwetenschap: een molecuul bindt aan een receptor, een cascade van biochemische reacties volgt, een symptoom verdwijnt. De causaliteit is direct, mechanisch, en redelijk voorspelbaar. Maar werkt het voor wat wij doen? Als je een leerling vertelt dat zijn capaciteiten ontwikkelbaar zijn — veroorzaakt dat dan betere prestaties? Als je een medewerker autonomie geeft — veroorzaakt dat dan betere motivatie? Het antwoord is: soms, bij sommige mensen, in sommige contexten, voor sommige uitkomsten. En dat “soms” is geen falen van de interventie. Het is misschien een aanwijzing dat we soms met het verkeerde model van causaliteit werken.

Enablement: een ander model van causaliteit

Stuart Kauffman

De complexiteitstheoreticus en bioloog Stuart Kauffman introduceerde in 2012, samen met de wiskundige Giuseppe Longo en de biofysicus Maël Montévil, een begrip dat ik buitengewoon verhelderend vind: enablement — het mogelijk maken van iets zonder het te veroorzaken. Hun argument, ontwikkeld in de context van evolutiebiologie, was dat de evolutie van de biosfeer niet wordt gedreven door oorzaak-en-gevolgketens in de klassieke zin. In plaats daarvan creëren organismen, door hun bestaan, nieuwe mogelijkheden die er voorheen niet waren — niet als oorzaak, maar als voorwaarde.

Kauffmans bekendste illustratie komt uit de biologie. Een vis ontwikkelt een zwemblaas. Die zwemblaas veroorzaakt niet dat bacteriën zich aanpassen aan het leven in zwemblazen. Maar ze maakt het mogelijk. Ze opent een nieuwe ecologische niche — een mogelijkheidsruimte die er voorheen niet was. Wat er vervolgens in die ruimte gebeurt, is niet voorspelbaar uit de eigenschappen van de zwemblaas. Dit is het concept van het adjacent possible — het aangrenzend mogelijke. Elke innovatie, elke verandering, elke nieuwe structuur vergroot de ruimte van wat vervolgens mogelijk wordt. Maar die volgende stap wordt niet veroorzaakt door de vorige; ze wordt mogelijk gemaakt. Enablement is geen causaliteit in de klassieke zin. Het is het openen van een deur.

Groeimindset als enabler, niet als oorzaak

Veel psychologische interventies die te maken hebben met motivatie, leren en gedragsverandering zijn misschien eerder enablers dan oorzaken. Maar er is een dieper punt: ook de psychologische toestanden die deze interventies proberen te bevorderen zijn misschien zelf ook vaak enablers. Groeimindset is daar een helder voorbeeld van. De theorie van Carol Dweck stelt dat mensen die geloven dat hun capaciteiten ontwikkelbaar zijn, beter omgaan met tegenslagen, meer doorzetten en uiteindelijk meer leren. In grootschalig gerandomiseerd onderzoek (Yeager et al., 2019) blijkt een groeimindset-interventie inderdaad effect te hebben, zij het een klein effect op cijfers. Maar wat doet zo’n interventie eigenlijk? Veroorzaakt ze betere prestaties, zoals aspirine hoofdpijn laat verdwijnen? Of doet ze iets fundamenteel anders?

Ik vermoed het tweede. En de interventie én de mindset zelf werken op dezelfde manier. De interventie opent een eerste deur: ze introduceert het idee dat capaciteiten ontwikkelbaar zijn. De mindset — als die beklijft — opent een tweede deur: ze maakt het mogelijk dat een leerling die een slecht cijfer krijgt, dit interpreteert als leerkans in plaats van als bewijs van onvermogen. Maar noch de interventie noch de mindset veroorzaakt dat de leerling die interpretatie ook daadwerkelijk kiest. Ze maken het mogelijk. Of het ook gebeurt, hangt af van een hele reeks andere factoren: de context, de instructie, de beschikbaarheid van oefenmaterikalen, relatie met de docent, de zichtbaarheid van progressie, etc.

Kleine effecten als kenmerk van enablement

Als je dit perspectief serieus neemt, verandert het hoe je naar effectgroottes kijkt. Het huidige debat over groeimindset wordt gedomineerd door de vraag “werkt het of werkt het niet?” Die vraag veronderstelt het biljartbalmodel: er is een duw, en de vraag is of de bal rolt. Maar als groeimindset een enabler is, is die vraag te simpel. Een geopende deur “werkt” altijd — ze is open. De vraag is of iemand erdoorheen loopt. En dat hangt af van of de persoon de deur ziet (wordt de boodschap bekrachtigd in de dagelijkse omgeving?), erdoorheen wil (voelt het belangrijk genoeg om de moeite te nemen?), erdoorheen kan (zijn er strategieën, feedback en instructie beschikbaar?), en of het pad erachter zichtbaar is (leidt inspanning tot waarneembare vooruitgang?).

Elk van deze punten is een extra voorwaarde die moet zijn vervuld wil de enabler zijn werk doen. Geen wonder dat het gemiddelde effect op distale uitkomsten als cijfers klein is: tussen de geopende deur en het eindresultaat zitten meerdere schakels, en bij elke schakel kan het pad worden geblokkeerd. Maar dat betekent niet dat de interventie zinloos is. Het betekent dat de interventie de eerste stap is, niet de hele reis.

Moderatoren als hoofdrolspelers

In het standaard onderzoeksmodel zijn moderatoren een bijzaak — een “extra nuance” die je rapporteert in een subsectie. De interventie is de hoofdrolspeler; de moderatoren zijn figuranten die verklaren waarom het effect soms wat groter en soms wat kleiner is. Het enablement-perspectief draait dit om. Als een interventie of een mindset een deur opent, dan zijn de moderatoren — de context, de instructiekwaliteit, de feedbackcultuur, de zichtbaarheid van progressie — niet de figuranten. Ze bepalen of iemand door de deur loopt. Ze zijn het verhaal.

David Yeager, een van de meest methodologisch zorgvuldige onderzoekers in het mindsetveld, benadert dit vanuit het concept psychological affordances: contextuele kenmerken die het de leerling mogelijk maken om de aangeleerde overtuiging als zinvol en toepasbaar te ervaren in die specifieke situatie. In zijn onderzoek laat hij zien dat mindsetinterventies sterker werken wanneer de schoolcontext de boodschap ondersteunt — wanneer, in onze metafoor, de ruimte achter de deur uitnodigend is. Dat is enablement-denken in de praktijk, al geloof ik dat Yeager die term zelf nergens gebruikt.

Drie verschuivingen in het denken over effectiviteit

Als je werkt met mensen — als coach, docent, leidinggevende, trainer — ben je normaal gesproken geen biljarter. Je duwt meestal geen ballen maar opent deuren. Dat verandert drie dingen.

  1. De vraag verschuift. De vraag “Werkt deze aanpak?” is te simpel. Een deur werkt altijd — ze is open of dicht. De betere vraag is: “Onder welke voorwaarden wordt de mogelijkheidsruimte die ik open daadwerkelijk benut?” Die vraag richt de aandacht niet op de interventie zelf, maar op het systeem eromheen.
  2. Context wordt ontwerp. Als moderatoren de hoofdrol spelen, wordt het ontwerpen van de context net zo belangrijk als het ontwerpen van de interventie. Hoe ziet de ruimte achter de deur eruit? Is er een pad? Is het verlicht? Zijn er wegwijzers? In de praktijk betekent dit: hoe organiseer je de feedback, de instructie, de progressiemonitoring, de cultuur? Die elementen zijn niet “contextuele ruis” — ze zijn de kern van de zaak.
  3. Geduld wordt gerechtvaardigd. Het biljartbalmodel is ongeduldig: je duwt, en de bal rolt, of niet. Het enablement-model is geduldiger: je opent een deur, en dan moet er nog een hele reis plaatsvinden. Kleine effecten op distale uitkomsten zijn niet een teken van zwakte maar een teken van afstand — er zitten veel schakels tussen de deur en de bestemming. Het echte bewijs voor de effectiviteit van een enabler zit vaak in de proximale uitkomsten: verandert het gedrag bij tegenslag? Zoekt de persoon feedback? Past zij haar strategie aan? Dat zijn de eerste stappen door de deur.

Deuren die zichzelf openhouden: de rol van de feedbacklus

Er is nog een eigenschap van enablement die het biljartbalmodel mist: de feedbacklus. Een geopende deur kan zichzelf openhouden — of juist dichtvallen. Wanneer iemand door de deur loopt (een groeimindset-interpretatie toepast), vervolgens moeite doet, en vervolgens zichtbare vooruitgang boekt, versterkt dat de overtuiging die de deur opende. De ervaring bevestigt de mindset. De deur gaat verder open. Dit is een positieve cyclus: enablement leidt tot actie, actie leidt tot resultaat, resultaat versterkt de enabler. Maar het omgekeerde geldt ook. Als iemand door de deur loopt, moeite doet, maar geen vooruitgang ziet — of de vooruitgang niet herkent — dan valt de deur dicht. De ervaring ontkracht de mindset. Dit is waarom het zichtbaar maken van progressie zo cruciaal is: niet als motivatietruc, maar als de informatie die de cyclus gaande houdt.

We hebben dit uitgewerkt als een cyclisch model waarin groeimindset en autonome motivatie gezamenlijk een deur openen naar duurzame inspanning, die leidt tot betekenisvolle progressie, die op haar beurt de groeimindset en autonome motivatie versterkt. De deur in dat model is letterlijk en figuurlijk: het is het punt waar overtuigingen en motivatie worden omgezet in gedrag, maar alleen als de voorwaarden ervoor aanwezig zijn.

Twee partijen die langs elkaar heen praten

Het enablement-perspectief raakt aan iets dat verder gaat dan praktische toepassing. Het raakt aan hoe we als veld over onze bevindingen praten. De psychologie heeft de neiging om te rapporteren in causale taal: X “heeft een effect op” Y, A “leidt tot” B, interventie Z “verbetert” uitkomst W. Die taal veronderstelt het biljartbalmodel. Maar als de werkelijkheid er een is van enablement, is die taal misleidend. Ze wekt de verwachting van directe, mechanische effecten en maakt het onvermijdelijke “soms wel, soms niet” tot een probleem dat moet worden opgelost, in plaats van een kenmerk van hoe menselijke verandering werkt.

Dit heeft gevolgen voor het publieke debat. Wanneer critici zeggen “groeimindset werkt niet” op basis van kleine gemiddelde effectgroottes, gebruiken ze het biljartbalcriterium: als de bal niet hard genoeg rolt, was de duw niet effectief. Wanneer voorstanders zeggen “groeimindset werkt wél” en wijzen op subgroepen en moderatoren, zeggen ze eigenlijk — zonder het altijd expliciet te benoemen — dat de interventie een enabler is die alleen werkt onder specifieke voorwaarden. Beide partijen hebben gelijk, maar ze spreken langs elkaar heen omdat ze een ander model van causaliteit hanteren. Het enablement-begrip geeft een taal om die impasse te doorbreken. De interventie is geen biljartbal — het is een deur. De vraag is niet of ze “werkt,” maar wat er achter ligt.

Tot slot

Stuart Kauffman ontwikkelde het concept enablement om iets te beschrijven over de evolutie van levende systemen: dat het ontstaan van nieuwe mogelijkheden niet wordt veroorzaakt door wat eraan voorafging, maar wordt mogelijk gemaakt. De biosfeer creëert haar eigen toekomstige paden door te exploreren wat aangrenzend mogelijk is. Ik denk dat dit beeld verhelderend is voor iedereen die werkt met menselijke groei en motivatie. Wij veroorzaken geen verandering bij de mensen met wie we werken. We openen deuren. En de kwaliteit van ons werk zit niet in de kracht van de duw, maar in het ontwerp van de mogelijkheidsruimte die we ontsluiten — en de zorg waarmee we het pad erachter inrichten. Dat is geen bescheiden claim. Het is een andere claim. En ik denk dat het verschil ertoe doet.

 

Verder lezen

Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (3)
  • Bruikbaar (3)

0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Voeg je bij 542 andere abonnees
 

► UPDATES & REACTIES

  1. Coert Visser
  2. Coert Visser
  3. Coert Visser
  4. Coert Visser
  5. Coert Visser
  6. Coert Visser
  7. Coert Visser
  8. Coert Visser
  9. Coert Visser