25 Progressiegerichte technieken

De progressiegerichte aanpak wordt steeds bekender bij coaches, leidinggevenden, trainers, docenten en anderen. Hieronder staan korte beschrijvingen van 25 van de meest bekende progressiegerichte technieken met linkjes naar artikelen waarin deze technieken uitgebreider worden toegelicht.

  1. Als-dan planning (implementatie-intenties): Als-dan planning is een duidelijk voornemen om bepaald gedrag in een bepaalde situatie te gaan uitvoeren. Implementatie-intenties werken vaak goed in situaties die men als lastig of uitdagend ervaart omdat ze geen bewuste inspanning vragen en als vanzelf plaatsvinden wanneer de situatie zich voordoet. (Lees meer).
  2. Cirkeltechniek: Via twee cirkels wordt zichtbaar gemaakt wat er al is bereikt en wat er nog bereikt moet worden. Deze flexibele techniek kan zowel in coachingsgesprekken als in teambijeenkomsten gebruikt worden. (Lees meer)
  3. Continueringsvragen: Bedoeld om je gesprekspartner te helpen om zicht te krijgen op wat er niet hoeft te veranderen. Voorbeeld: “Wat hoeft er niet te veranderen omdat het al goed genoeg gaat?” (Lees meer)
  4. Copingvragen: Helpt om je gesprekspartners zicht te laten krijgen op welke dingen er nog zijn die het mogelijk maken voor hen om het vol te houden in moeilijke omstandigheden. Voorbeeld: “Hoe lukt het je om vol te houden?” (Lees meer)
  5. Doorvragen richting beschrijvingen van eigen effectief gedrag: Progressiegerichte vragenstructuren zoals de CPW-7-stappen-aanpak werken alleen goed als tevens goed doorgevraagd wordt. Het is voor cliënten vaak namelijk helemaal niet zo gemakkelijk om na een enkele vraag meteen te antwoorden in concrete positieve gedragstermen. Goed doorvragen helpt hen om hier stap voor stap wel verder in te komen. Door goed doorvragen worden cliënten actief, neemt hun motivatie toe en krijgen zij meer inzicht en vertrouwen. (Lees meer)
  6. Eerdere-successenvragen: Dit soort vragen helpt om voorbeelden te vinden van situaties waarin het al beter ging om daar ideeën voor stapjes vooruit op te doen. Voorbeelden: “Wanneer ging het al iets beter?”, “Wanneer lukt het je al een beetje?” en “Hoe lukte je dat?” (Lees meer)
  7. Eerst aansluiten, dan doorschakelen: Eerst aansluiten, dan doorschakelen is een gesprekstechniek die helpt om gesprekken vloeiender en productiever te maken. Het is een eenvoudige techniek waarbij je duidelijk laat merken dat je goed geluisterd hebt naar de ander en dat je serieus neemt wat de ander heeft gezegd. (Lees meer)
  8. Gewenste-situatievragen: Het doel van dit soort vragen is om een levendig beeld te krijgen van hoe de gewenste situatie (ofwel de gewenste toekomst) eruit ziet. Voorbeelden: “Hoe wil je dat de situatie wordt?” en “Wat zou je willen dat er beter wordt?” (Lees meer). Zie ook: toekomstprojectievragen.
  9. Houding van niet-weten: Een niet-oordelende, geen tips aanreikende en onderzoekende houding die cliënten helpt om hun eigen doelen te stellen, oplossingen te vinden en stapjes vooruit te kiezen. (Lees meer)
  10. Kantelinterventie: Dat mensen ondanks hun redenen om niet te willen komen, toch gekomen zijn, impliceert dat er nog onuitgesproken motieven zijn om wel mee te werken. Door naar deze motieven te vragen (de kantelinterventie) bevorder je dat een die persoon zich open stelt voor het gesprek en de samenwerking. (Lees meer)
  11. Leiden van achteren: metafoor voor het centraal stellen van het referentiekader van de cliënt in progressiegerichte gesprekken. (Lees meer)
  12. Mutualiseren: Bedoeld om gemeenschappelijkheid in intenties en doelen expliciet te maken en versterken. Voorbeeld: “Ik merk dat jullie beiden een goede oplossing willen vinden voor dit probleem.” (Lees meer)
  13. Normaliseren: Helpt om je gesprekspartners gerust te stellen en te laten beseffen dat hun reactie normaal is gezien de moeilijke omstandigheden waarin ze zich bevinden. Voorbeelden: “Dat lijkt me een normale reactie in zulke omstandigheden.” En “Ik denk dat veel andere mensen hetzelfde zouden hebben gedacht als ze in jouw situatie waren.” (Lees meer)
  14. Nuttigheidsvragen: Dit soort vragen helpt om besprekingen zo nuttig mogelijk te laten zijn voor alle betrokkenen en hen te activeren. Je kunt hem aan het begin en einde van het gesprek stellen maar ook tijdens het gesprek. Voorbeelden: “Hoe kunnen we de tijd zo goed mogelijk besteden?” en “Waaraan zou je na afloop merken dat ons gesprek nuttig is geweest?” (Lees meer).
  15. Observatiesuggesties: Helpt om mensen die nog geen idee hebben wat er al goed gaat en wat hun volgende stapje zou kunnen zijn, te laten ontdekken dat er inderdaad al dingen zijn die al beter gaan zodat zij iets optimistischer worden en meer mogelijkheden gaan zien. Voorbeeld: “Zou je tussen nu en ons volgend gesprek eens willen opletten wanneer het al iets beter gaat?” (Lees meer)
  16. Optimismevragen: Bedoeld om het optimisme dat er is te benoemen en versterken. Voorbeelden: “Wat stemt jou optimistisch?” en “Welke aanwijzingen heb je dat het wel eens zou kunnen gaan lukken?” (Lees meer)
  17. Perspectiefwisselingsvragen: Bedoeld om je gesprekspartner naar zichzelf te laten kijken vanuit een derdepersoonsperspectief. Voorbeeld: “Waaraan zouden andere mensen straks merken dat het beter met je gaat?” (Lees meer)
  18. Platformvragen: Bedoeld om zicht te krijgen op wat er al goed gaat en bereikt is (waardoor de ander zich competenter en hoopvoller gaat voelen en ideeën voor stapjes vooruit opdoet). Voorbeelden: “Wat heb je al bereikt?”, “Wat is er al gelukt?”, “Wat gaat er al goed?” en “Hoe is het je al gelukt om te komen waar je nu staat?” (Lees meer)
  19. Plus achter de min zoeken: Bedoeld om er achter te komen wat voor goede bedoelingen er achter ogenschijnlijk negatieve opmerkingen zitten. Voorbeeld: “Dat zeg je vast niet zomaar. Kun je er iets meer vertellen over wat je reden is om dit te zeggen?” (Lees meer)
  20. Positief herformuleren: Positief herformuleren komt erop neer dat je negatieve uitingen van cliënten positief herformuleert. Positieve herformuleringen kunnen twee functies hebben. Ten eerste kunnen ze de persoon helpen om beter te zien wat ze in de plaats van hun huidige (negatieve) situatie zouden willen zien. Ten tweede kunnen ze cliënten helpen om voorbij negatieve zelf-oordelen te komen richting meer constructieve manieren om over henzelf te denken. (Lees meer)
  21. Positief Nee zeggen: Een manier van nee zeggen die bevordert dat de relatie met de ander goed blijft terwijl duidelijk wordt dat het antwoord nee is en waarom het antwoord nee is. (Lees meer).
  22. Progressiebehoeftevragen: Dit is het type vraag: wat wil je dat er beter wordt? Vandaar dat de vraag soms ook verbeterbehoeftevraag genoemd wordt. Deze vraag is belangrijk voor de onderwerpbepaling van het gesprek. (Lees meer)
  23. Ruimte bieden: Het bieden van de tijd en gelegenheid voor cliënten om hun gedachten te onderzoeken, onder woorden te brengen en ontwikkelen. (Lees meer)
  24. Samenvatten in de woorden van de ander: Bedoeld om je gesprekspartners te laten merken dat je hen serieus neemt en accepteert wat ze zeggen en om hen de gelegenheid te geven meer te vertellen. Zie de dialogen in het boek voor voorbeelden. (Lees meer)
  25. Schaalvragen: Via een schaal van 0 tot 10 kunnen allerlei vragen gesteld worden die helpen om ideeën op te doen voor volgende stappen. (Lees meer)
  26. Stuurvragen: Een aanpak die bedoeld is voor situaties waarin je een gesprek met voeren met iemand die moet voldoen aan een bepaalde verwachting. Bij progressiegericht sturen wordt op een vriendelijke en duidelijke manier verhelderd wat er verwacht wordt en wat de reden is van deze verwachting. De ander krijgt de gelegenheid om zelf te bepalen hoe hij of zij aan de verwachting kan gaan voldoen. Lees meer.
  27. Tentatief communiceren: een manier van praten (of schrijven) die niet stellig en absoluut is maar voorzichtig opperend. Tentatief communiceren heeft dus meer het karakter van het doen van een voorstel dan van het vertellen hoe het zit. (Lees meer)
  28. Toekomstprojectievragen: Een variant van de gewenste-situatievraag. Bij de toekomstprojectievraag nodig je cliënten uit om in gedachten een sprong in de tijd te maken, zich voor te stellen dat het op het punt waar ze uitgekomen zijn beter gaat en vervolgens te beschrijven wat er allemaal beter is geworden. (Lees meer)
  29. Uitzonderingenvragen: Bedoeld om voorbeelden te vinden van situaties waarin het probleem minder aanwezig was om zo ideeën voor oplossingen op te doen. Voorbeelden: “Wanneer had je minder last van het probleem?”, “Wanneer was het iets minder erg?”, “Wat was er toen anders?” en “Hoe lukte je het om er minder last van te hebben?” (Lees meer)
  30. Volgende-stap-vooruitvragen: De basisvariant van dit type vragen is: “Wat is het volgende stapje dat je nu zou kunnen zetten?” De volgende-stap-vooruitvraag is een krachtige afsluiting van een coachingsgesprek. De vraag is echter ook bruikbaar in veel andere soorten situaties, zoals trainingen, stuurgesprekken en vergaderingen. (Lees meer)
  31. Wat-gaat-er-betervragen:  Bedoeld om de aandacht van je gesprekspartners te richten op progressie die zij zelf al hebben weten te bereiken waardoor hun optimisme en zelfredzaamheid toeneemt. Voorbeeld: “Wat gaat er al beter sinds we elkaar de laatste keer hebben gezien?” en “Welke vooruitgang heb je al weten te boeken?” (Lees meer)
  32. Wat-nog-meer-vragen: type vragen waarbij je je gesprekspartner uitnodigt om meer uitleg of voorbeelden te geven. (Lees meer)
  33. Werken met wat er is: Dit betekent dat je in je eigen situatie op zoek gaat naar alles wat je tot je beschikking hebt dat je zou kunnen gebruiken om door de moeilijke situatie heen te komen. Door dit te doen kom je misschien op goede nieuwe ideeën. (Lees meer)

Laatste update: 27-4-2020

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Bruikbaar (37)
  • Interessant (25)