In 1994 verscheen het boek The Bell Curve, geschreven door Richard Herrnstein en Charles Murray. Het boek deed enorm veel stof opwaaien. Het boek betoogde op basis van talloze statistieken dat intelligentie (zoals gemeten door IQ tests) een betekenisvol construct is dat de verschillen in cognitieve capaciteiten tussen mensen beschrijft. Verder schreven de auteurs dat 1) verschillen in intelligentie deels erfelijk zijn, 2) dat rassen bestaan en 3) dat mensen van verschillende rassen verschillen in hun gemiddelde IQ scores vanwege genetische verschillen tussen rassen. Ondanks een golf van kritiek op het boek, ook uit wetenschappelijke kring, heeft Murray zijn standpunten niet te hebben bijgesteld, zo bleek uit een recent interview met Sam Harris. Eric Turkheimer (foto), Kathryn Paige Harder en Richard Nisbett schreven een kritische reactie op dit interview en de denkbeelden van Murray (zie hier). 
Ze beginnen met te zeggen dat geen van de punten die Murray naar voren brengt compleet onjuist is. Maar zij menen dat het bewijs een andere kijk op intelligentie, erfelijkheid en ras ondersteunt. Aan de hand van vijf centrale beweringen schetsen zij wat het bewijs werkelijk zegt over deze onderwerpen.

 

  1. “Intelligentie is betekenisvol”: De auteurs onderkennen dat mensen verschillen in hun cognitieve capaciteiten en dat IQ metingen invloedrijk zijn in onderwijs en werk. Maar dat deze verschillen een biologische basis hebben en dat er zoiets bestaat als een g-factor (een innerlijke kwaliteit die intelligentie veroorzaakt) is veel controversiëler.
  2. “Intelligentie is erfelijk”: Dat intelligentie deels erfelijk is, is vanzelfsprekend. Vrijwel alle verschillen tussen mensen zijn deels erfelijk. Murray leidt hieruit echter onterecht af dat de omgeving slechts een zeer kleine rol speelt bij de ontwikkeling van intelligentie wat te simpel is. De ontwikkeling van al onze eigenschappen is een gevolg van de interactie van onze genen met omgevingsfactoren. Nieuwe methoden om DNA te analyseren laten tot nu toe zien dat er geen afzonderlijke genen zijn die intelligentie bepalen. Zelfs de gezamenlijke invloed van honderden genetische varianten slagen er in om slechts een kleine fractie van intelligentie te verklaren. Belangrijker nog: erfelijkheid zegt niets over veranderbaarheid. Eigenschappen van individuen die behoren tot een groep, zoals lengte en intelligentie, kunnen binnen decennia enkele decennia met sprongen toenemen. Ook laat onderzoek zien dat het blijvend veranderen van de omgeving van een individu een behoorlijke stijging in IQ kan opleveren.
  3. “Rassen verschillen in IQ”: Het is een feit dat etnische groepen verschillen in hun gemiddelde scores op IQ tests. Dit feit zegt echter niets over de vraag in welke mate deze verschillen een gevolg zijn van biologische factoren of van omgevingsfactoren. Etnische groepen die lager scoren zijn dezelfde groepen die in vele opzichten achterstanden hebben in de maatschappij.
  4. “Ras en genetische afkomst”: in welke mate het begrip ras gezien moet worden als een biologisch of een sociaal construct is onderwerp van verhitte discussies in de sociale wetenschappen. De manier waarop mensen verspreid zijn over verschillende regio’s in de wereld correleert in zekere mate met hun etniciteit en met hun genetisch materiaal. Maar de gedachte dat deze feiten een traditionele 19e-eeuwse indeling in rassen (blank, zwart, mongoloïde, etc.) bevestigen, is niet waar. Verschillen tussen raciale groepen zijn continu en dynamisch. De etnische groepen die Hernnstein en Murray hebben gebruikt in hun onderzoek wijken bovendien sterk af van raciale groepen zoals die op basis van genetisch afstammingsonderzoek kunnen worden geïdentificeerd.
  5. “Genetische groepsverschillen in IQ”: De auteurs zeggen dat Murray zonder bewijs stelt dat groepsverschillen in IQ een genetische basis hebben. Zij brengen daar tegenin dat er momenteel geen bewijs is dat een significant deel van deze verschillen een genetische oorzaak heeft. Ze noemen enkele feiten die het tegendeel suggereren: 1) de IQ kloof tussen ‘zwart’ en ‘wit’ neemt af, 2) het Flynn-effect is het verschijnsel dat gemiddelde IQ-scores van enorm kunnen stijgen binnen decennia, 3) adoptie van kinderen uit een laag sociaal-economisch milieu naar een hoog milieu kan leiden tot IQ stijgingen van 12 tot 18 punten, 4) de beste onderwijsprogramma’s kunnen leiden tot behoorlijke toenames in intellectueel en sociaal functioneren, 5) de erfelijkheid van IQ is lager bij kinderen die opgroeien in armoede. Armoede is, is met andere woorden, een belemmerde factor voor de ontwikkeling van intelligentie (en dus een mogelijke oorzaak voor gevonden groepsverschillen in intelligentie).

Verdedigers van de zienswijze van Murray beweren soms dat iedereen die het er niet mee eens is dit alleen maar doet op grond van niet-wetenschappelijke argumenten. Hun reden om Murray’s beweringen af te wijzen zou  louter ideologisch van aard zijn, bijvoorbeeld gedreven door de wens om niet te discrimineren of om iedereen als gelijk te zien. Maar Turkheimer et al. zeggen dat er wetenschappelijke redenen zijn om te denken dat Murray het verkeerd ziet. Ik vind Turkheimers argumenten geloofwaardiger dan Murray’s argumenten.

Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (6)
  • Bruikbaar (1)