Waarom psychologie moeilijker is dan je denktExacte vakken hebben de naam de moeilijkste te zijn en dat is begrijpelijk. Maar psychologie is in bepaalde opzichten misschien wel moeilijker. 

 

Eén van mijn favoriete wetenschappers is Sean Carroll. Hij is hoogleraar theoretische natuurkunde aan een van de meest vooraanstaande universiteiten ter wereld, Caltech, en schrijver van onder andere het prijswinnende boek The Particle at the End of the Universe dat gaat over de ontdekking van het Higgsdeeltje. Kort geleden (zie hier) deed hij een uitspraak die wellicht verrassend genoemd kan worden: “Physics is by far the easiest science.” Valse bescheidenheid? Of zit er wat in?

 

Exacte wetenschappen worden vaak gezien als de harde wetenschappen en sociale wetenschappen worden vaak gezien als zachte wetenschappen. In het Engels worden de exacte wetenschappen vaak hard sciences genoemd. Het woord hard zou je hier niet alleen kunnen vertalen als exact, in de zin van precies, rigoureus en objectief maar ook als moeilijk. De exacte wetenschappen worden doorgaans ook gezien als de moeilijke wetenschappen terwijl de sociale wetenschappen worden gezien als de minder moeilijke wetenschappen. Daar is ook best een reden voor voor. Op middelbare scholen worden vakken als natuurkunde en wiskunde door de meeste leerlingen beleefd als de moeilijkste vakken. Op universiteiten worden studies als natuurkunde, wiskunde en scheikunde over algemeen gezien als de moeilijkste studies. Dat valt te begrijpen. Een studie als natuurkunde bijvoorbeeld, doet niet alleen een groot beroep op wiskundige kennis en vaardigheden maar ook op een behoorlijk groot abstractievermogen. Toch zou je kunnen zeggen dat psychologie in enkele opzichten in aanleg niet gemakkelijker maar zelfs moeilijker is dan de exacte wetenschappen.

 

Hoe evolutie onze intuïties gevormd heeft

In de eerste plaats heeft dat te maken met hoe de evolutie ons gevormd heeft. Zoals de bioloog Richard Dawkins uitlegt in een TED presentatie in 2006 (bron) is ons intuïtieve begrip van de wereld beperkt. Onze breinen zijn geëvolueerd om ons te bewegen in de wereld zoals ze die waarnemen. De wereld van de macroschaal, het enorm grote, enorm grote afmetingen en snelheden, kunnen wij niet goed waarnemen. Wij, als gewone mensen, kunnen bijvoorbeeld niet zien hoe snel licht beweegt en we kunnen niet waarnemen dat er zich in het midden van de Melkweg een zwart gat bevindt. En dat wij dit soort dingen niet goed kunnen waarnemen, heeft onze kans op overleven in de geschiedenis niet significant beïnvloed.

 

Ook op de microschaal, de wereld van het heel kleine en het extreem trage kunnen wij niet goed waarnemen. Wij kunnen atomen niet zien, laat staan subatomaire deeltjes, zoals quarks en neutrino’s, en ook extreem traag verlopende processen kunnen intuïtief we niet goed opmerken, wat verklaart dat het proces van evolutie zelf voor veel mensen als tegen-intuïtief overkomt. Dat we de microschaal niet goed kunnen waarnemen heeft ons evolutionair ook niet belemmerd. We konden bijvoorbeeld gewoon overleven zonder dat we beseften dat iedere vierkante centimeter van onze huid elke seconde door tientallen miljarden neutrino’s wordt doorkruist.

 

Wij werken, volgens Dawkins, niet in macrowereld en de microwereld maar in de middenwereld die zich bevindt tussen de atomaire en de kosmische wereld. Onze intuities zijn afgestemd op het overleven in deze middenwereld. Dit brengt met zich mee dat we erop voorbereid zijn om dingen op het macroniveau en het microniveau als vreemd en onbekend te zien. We zijn erop voorbereid dat onderwerpen als scheikunde, deeltjesfysica en kosmologie moeilijk zijn omdat we merken dat we over deze onderwerpen geen sterke intuïties hebben. Maar over het domein van de sociale wetenschap en de psychologie in het bijzonder hebben we wel sterke intuïties. We hebben vaak sterke ideeën over wat waar is en wat niet waar is in de psychologie. De psychologie bevindt zich in Dawkins’ middenwereld.

 

Wat wij denken over wat we tegenkomen in de middenwereld heeft altijd een sterke invloed gehad op onze overlevingskansen en is daarmee, via de evolutie, in ons DNA terecht gekomen. Maar dat betekent niet dat wat we denken over wat we tegenkomen in de middenwereld altijd juist is. Zoals onderzoek van Daniel Kahneman en Amos Tversky heeft laten zien zijn onze intuïties over vaak snel maar slordig (lees meer). Een voorbeeld hiervan is dat we relatief veel gewicht toekennen aan negatieve informatie en mogelijk gevaar. Dat komt door het volgende. De evolutie van onze breinen is gevormd door welke neigingen en manieren van denken onze kans op overleving hebben vergroot. Als een voorouder van ons op de steppe het gras zag bewegen en in reactie daarop de benen nam dan was zijn overlevingskans een fractie groter dan die van zijn vriend die zijn schouders ophaalde over het bewegende gras. Misschien bewoog het gras namelijk door een naderende gifslang of een leeuw. Misschien dat het gras negen van de tien keren niet door een slang of leeuw bewoog maar door de wind maar dat doet er weinig toe. Vanuit evolutionair oogpunt gold: liever negen keer te vaak wegrennen dan een keer te weinig. De onvoorzichtige oermens had waarschijnlijk een iets grotere kans om gedood te worden voordat hij of zij zich voortgeplant had dan de over-voorzichtige oermens. Waarschijnlijk verklaart dit soort evolutionaire processen voor een deel waarom we vandaag de dag nog steeds een negativity bias hebben. We kennen een groter gewicht toe aan negatieve informatie dan aan positieve informatie. Waar we onze aandacht aan gaven en hoe we dachten over en reageerden op wat er gebeurde in onze omgeving was letterlijk een kwestie van leven en dood.

 

Twee unieke obstakels voor de psychologie

Ook gedachten over psychologie waren belangrijk voor ons overleven. Hoe moesten we ons gedragen in een groep? Wie konden we vertrouwen? Hoe en met wie konden we samenwerken? Een verkeerde inschatting kon je snel bezuren. Kortom, we zitten dus vol met sterke intuïties over psychologie die ons helpen overleven maar die allerlei vertekeningen hebben. Voor de psychologie als wetenschapsbeoefening vormt dit een obstakel op verschillende manieren.

 

1. Sterke maar slordige intuïties

In de eerste plaats zijn psychologen zelf ook behept met die sterke maar slordige intuïties. Ook voor hen zelf is het vaak moeilijk uit te maken in hoeverre ze kunnen vertrouwen op hun intuïties. Daarnaast is het een obstakel in het communiceren over psychologische kennis met het grote publiek. Omdat mensen van nature vaak het gevoel hebben dat ze zelf goede psychologische intuïties hebben staan ze vaak sceptisch tegenover psychologisch onderzoek. Wanneer psychologisch onderzoek leidt tot een bevestiging van hun intuïties kunnen ze kritisch opmerken dat dit onderzoek niet nodig was omdat de bevinding van het onderzoek een open deur was (“Dat weet je toch zo ook wel?”). Wanneer het onderzoek leidt tot een bevinding die hun intuïtie ontkracht kunnen ze kritisch opmerken dat deze bevinding niet klopt omdat ze gewoon weten dat hij niet klopt (“Ik heb het toch zelf ervaren?”).

 

2. Onze denkbeelden zijn van invloed op de psychologische werkelijkheid

In de tweede plaats kan psychologie moeilijker zijn dan exacte wetenschappen door een kenmerk van het object van studie. Wat wij geloven over het bestaan en de aard van zwarte gaten heeft geen invloed op het bestaan en het ‘gedrag’ van zwarte gaten. Maar wat wij geloven over psychologie heeft wel een invloed op ons bestaan en op ons gedrag en als consequentie daarvan op de sociale realiteit. Een voorbeeld hiervan is Carol Dwecks theorie over mindsets. Of wij wel of niet geloven dat wij onze capaciteiten en eigenschappen kunnen veranderen heeft allerlei effecten op hoe wij ons ontwikkelen en op wat er gebeurt in ons leven. Geloven we dat onze eigenschappen niet ontwikkelbaar zijn dan proberen we onze eigenschappen op een zo gunstig mogelijke manier te presenteren aan de buitenwereld. We worden terughoudend in het aangaan van risico’s en zien fouten als falen. We worden in de samenwerking belemmerd omdat we sterker in competitieve termen denken. Hebben we een groeimindset dan gaan we uitdagingen aan. We zien fouten als noodzakelijk voor leren. We stellen ons kwetsbaarder op en staan meer open voor feedback. We werken effectiever samen en we zijn effectiever als leidinggevende, leraar en opvoeder. Wat we geloven over psychologie beïnvloedt de toekomstige werkelijkheid van ons leven. Omdat onze overtuigingen en percepties de toekomstige werkelijkheid beïnvloeden is het moeilijker om te weten hoe objectief onze waarheidsclaims zijn. Iemand met een fixed mindset krijgt de werkelijkheid die hij verwacht. Hetzelfde geldt voor iemand met een groeimindset. Dit soort complexe fenomenen heb je meer in de psychologie. Toen psychologen en medici nog dachten dat volwassen hersenen zich nauwelijks kunnen ontwikkelen (helaas denken vrij velen dat nog steeds) gaven ze mensen die een beroerte hadden gehad niet het advies om hard te gaan werken om de verloren functies weer terug te krijgen. Daardoor gebeurde dat ook niet wat gezien werd als een bevestiging van de pessimistische voorspelling dat mensen na een beroerte hun functies niet terug konden krijgen. In het algemeen geldt dat we in de psychologie niet weten hoe ontwikkelbaar mensen zijn. Hoe vaak heb je mensen niet horen zeggen: “Niet iedereen kan een Einstein worden.” Maar dit is iets wat we eigenlijk niet weten. Dat vrijwel niemand intellectuele prestaties levert als Einstein is waar. Maar hieruit volgt niet dat vrijwel niemand het potentieel heeft daartoe. Ik wil hier niet het omgekeerde beweren, namelijk dat iedereen dat potentieel wel heeft. Wat ik wil beweren is dat we het niet weten.

 

Wat we geloven over psychologie heeft een enorme invloed op hoe we met onszelf en met anderen omgaan en hoe we de werkelijkheid vertekend waarnemen. Dit geldt niet alleen voor mindsets. Zelfvervullende voorspellingen liggen overal op de loer.

 

Moeilijk maar mogelijk

Dat psychologie moeilijk is betekent niet dat er geen waarheid bestaat als het gaat om psychologie. Door systematisch onderzoek kun je wel degelijk te weten komen dat bepaalde gedragingen, denkbeelden en contexten leiden tot bepaalde effecten en andere tot andere effecten. Sommige van die effecten kunnen relatief ongewenst zijn en andere relatief gewenst. Zo kunnen we toch onderscheid maken tussen uitspraken die minder valide zijn en uitspraken die meer valide zijn. Zo kunnen we toch, hoe moeilijk dat ook is, kennis opbouwen over psychologie die de valide en bruikbaar is.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (7)
  • Bruikbaar (3)