Redenen voor scepsis over onderzoek naar gelukSinds het begin van de jaren ’80 hebben psychologen veel onderzoek gedaan naar geluk. Vaak wordt in deze onderzoeken overigens niet de term geluk gebruikt maar subjectief welbevinden. Ik herinner me dat ik ergens las dat Ed Diener, een pionier in dit veld, had gezegd dat hij deze term gekozen had omdat hij wetenschappelijker klonk dan de term geluk. De positieve psychologie, die ontstond rond het jaar 2000, heeft veel nadruk gelegd op het belang van geluk en het onderzoeken welke factoren geluk bevorderen. In de jaren die volgden zijn veel boeken en artikelen verschenen over geluk. In die publicaties werden vaak factoren genoemd die bij zouden dragen aan geluk zoals: (1) het tonen van dankbaarheid, (2) het cultiveren van optimisme, (3) het bouwen en onderhouden van sociale relaties, (4) het ontwikkelen van vergevingsgezindheid, (5) het zoeken van flow-ervaringen, het volgen van lange-termijn doelen, (6) het beoefenen van religieuze en spirituele activiteiten en (7) het beoefenen van meditatie (NB, deze lijst is niet uitputtend).

 

Aanvankelijk was ik redelijk enthousiast over dit soort onderzoeken omdat ze iets relevants en bruikbaars bloot leken te leggen. Mensen blijken echt te verschillen in de manier waarop ze vragen over hun geluk beantwoorden en deze verschillen blijken redelijk consistent te zijn en ook in redelijke mate samen te hangen met factoren zoals hierboven beschreven. Maar in de loop der tijd is mijn enthousiasme wat getemperd. Een eerste reden voor mijn veranderende houding was dat ik het belang van geluk enigszins begon te relativeren. Niet dat ik beweer dat geluk onbelangrijk is – natuurlijk is het belangrijk- maar wel denk ik dat het belang van geluk relatief is. Geluk is slechts een van de vele dingen in de wereld die belangrijk zijn. Het maximaliseren van geluk is niet het doel, net zo min als het maximaliseren van je banksaldo een wijze levensstrategie is. Verschillende onderzoek bevestigden dat mikken op optimaal geluk wijzer is dan mikken op maximaal geluk (zie hier en hier).

 

Een tweede reden voor mijn toenemende scepsis was simpelweg dat ik eens meedeed aan een onderzoek en merkte dat ik het vrij moeilijk vond om te beantwoorden hoe gelukkig ik zelf in het algemeen was. Ik bedacht me dat dit van moment tot moment kon verschillen, afhankelijk van waar ik mee bezig was en waar ik mijn aandacht op richtte. Ik vond het lastig om een algemeen oordeel te geven over mijn geluk. Toen ik me dit realiseerde vroeg ik me af wat de antwoorden van andere proefpersonen aan het onderzoek waard waren. Vonden zij de vraag even lastig te beantwoorden?

 

Een derde reden voor mijn toenemende scepsis was dat ik me bedacht dat veel onderzoek correlationeel van aard was. Als men vaststelde dat een bepaalde factor positief correleerde met geluk dan was men geneigd te zeggen dat deze factor mensen gelukkig maakt. Als men bijvoorbeeld vaststelde dat mensen die politiek rechts georiënteerd zijn gemiddeld als gelukkiger uit de onderzoeken kwam dan kon dit gelezen worden als een impliciet advies om een rechtse politieke oriëntatie te kiezen. Of als men vaststelde dat religieuze mensen gemiddeld iets gelukkiger zeiden te zijn in onderzoeken dan niet religieuze mensen dan zou je hierin de aanbeveling kunnen lezen dat religiositeit aan te bevelen is omdat je er gelukkig van wordt. Ik vond deze redeneringen suspect. Ik kon me namelijk voorstellen dat de context een grote rol speelt in dit soort onderzoeksbevindingen. Als je in een politiek rechtse omgeving of in een religieuze omgeving opgroeit voel je je misschien gelukkiger indien je zelf ook dergelijke oriëntaties en geloofsopvattingen hebt. Maar in een andere context zou dat wellicht weleens heel anders kunnen zijn.

 

Recent is er onderzoek verschenen dat mijn scepsis ondersteunt. Dit onderzoek, uitgevoerd door Sean Wojcik (lees meer), vond ook (in overeenstemming met wat eerdere onderzoeken vonden) dat conservatieven zich als iets gelukkiger beschrijven dan democraten. Maar er werden ook twee andere manieren gebruikt om geluk te meten. In de eerste plaats werd software gebruikt om positieve en negatieve taaluitingen van demoraten en republikeinen te meten. In de tweede plaats werden foto’s van republikeinse en democratische congresleden door experts beoordeeld op de echtheid van hun lach. Uit deze twee andere metingen van geluk kwam een ander plaatje naar voren: democraten kwamen nu juist als meer gelukkig naar voren dan republikeinen. Dit onderzoek laat zien dat we zelfgerapporteerd geluk enigszins moeten relativeren. Dat iemand zich als gelukkiger beschrijft in een onderzoek betekent niet dat hij zich gelukkiger gedraagt. Daarmee moeten we ook de eerdere onderzoeken naar geluk die gebaseerd zijn op zelfrapportage enigszins relativeren.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (9)
  • Bruikbaar (4)