Neuroplasticiteit bij ouderen

Neuroplasticiteit bij ouderen blijkt wat anders te verlopen dan bij jongeren.

Lange tijd is gedacht dat de hersenen van jonge mensen heel flexibel en ontwikkelbaar zijn terwijl die van oudere mensen dat niet zouden zijn. De laatste 30 jaar is er veel meer bekend geworden over neuroplasticiteit, het vermogen van de menselijke hersenen om zich te blijven ontwikkelen, ook op gevorderde leeftijd. Over sterke staaltjes van neuroplasticiteit kun je dit artikel en dit artikel bekijken (met filmpjes). Als het inderdaad waar is dat de hersenen van mensen, ook als ze ouder worden, plastisch, ontwikkelbaar blijven dan is dat goed nieuws. Het zou betekenen dat je je leven lang progressie kunt blijven boeken en kunt blijven leren en groeien. En, zoals gezegd, er zijn veel aanwijzingen dat dit inderdaad mogelijk is.

In mijn boek Progressiegericht werken schreef ik al het volgende: “Terwijl het onmiskenbaar waar is dat sommige functies beginnen af te nemen vanaf een bepaalde leeftijd kunnen andere functies sterker worden tot op hoge leeftijd. Als we ouder worden, worden we bijvoorbeeld meestal sterker in het reguleren van onze emoties en de meeste mensen krijgen een positievere en optimistischere kijk op het leven […]. Ook wijst onderzoek erop dat we beter worden in patroonherkenning en in het nemen van beslissingen door onze sterkere tacit knowledge.”

De neurowetenschap is bloeiend vak en het onderzoek naar de hersenen en naar neuroplasticiteit gaat in volle vaart verder. Inmiddels is bijvoorbeeld bekend (Shors, 2014) dat er in het volwassen brein voortdurende nieuwe neuronen worden aangemaakt (iets wat vroeger voor onmogelijk werd gehouden). Dit proces heet neurogenese. Deze nieuwe neuronen kunnen door ingespannen leren behouden blijven; zonder geconcentreerde leerinspanningen sterven ze binnen enkele weken weer af. Ook is inmiddels bekend dat niet alleen neuronen heel belangrijk zijn bij leren. Ze zijn natuurlijk belangrijk. Wanneer we leren vormen zich nieuwe verbindingen tussen neuronen en worden bestaande verbindingen sterker. Maar naast deze structurele neuronale veranderingen in het brein is er ook een ander soort structurele verandering dat heel belangrijk is en die heeft te maken met de witte stof in de hersenen. Deze witte stof bestaat uit gliacellen en gemyeliniseerde uitlopers van zenuwcellen. Myeline is een vettige stof die voor de witte kleur van witte stof zorgt en die zich om uitlopers van zenuwcellen bevindt zoals plastic om een elektriciteitssnoertje. Die myeline blijkt er voor te zorgen dat de elektrische signalen die door de neuronen heen gaan niet van het ene neuron naar het andere. Myeline zorgt voor een snellere geleiding van het signaal door de neuronen. Onderzoek heeft gedemonstreerd dat door doelbewust te oefenen, deliberate practice, de myelinesatie van neuronen toeneemt. Door te oefenen komt er een dikker myelinelaagje om het neuron heen waardoor de elektrische geleiding sneller verloopt.

Een nieuw onderzoek van Yotsumoto et al. (2014) laat weer iets nieuws en interessants zien. Jonge en oude proefpersonen in een onderzoek moesten een visuele taak leren. Ouderen bleken gemiddeld even goed in staat om deze taak te leren als jongeren. Maar MRI scans lieten zien dat het leren van ouderen en jongeren leidde tot verschillende veranderingen in hun hersenen. Bij jongeren leidde het leren vooral tot verandering in de grijze stof, de neuronen. Bij ouderen, echter, leidde het leren vooral tot veranderingen in de witte stof. Bij jongeren werden dus vooral nieuwe verbindingen tussen neuronen gelegd; bij ouderen werd vooral meer myeline aangemaakt. Hoewel de weg ernaartoe dus verschilde was het effect hetzelfde: zowel jongeren als ouderen leerden te taak.

Als je dit leest, dan zou je dus kunnen vermoeden dat mensen die gedurende hun hele leven zich blijven inspannen om te leren veel witte stof in hun hersenen hebben wanneer ze het einde van hun leven bereiken. Daar lijkt het inderdaad op. Toen de hersenen van Albert Einstein, die zich tot aan zijn dood bleef inspannen om een natuurkundige theorie te ontwikkelen die zijn eigen relativiteitstheorie en de kwantummechanica met elkaar zou verbinden, na zijn overlijden werden onderzocht bleek dat hij meer witte stof in zijn hersenen had dan ‘normale’ mensen.

Print Friendly
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (15)
  • Bruikbaar (3)