Genen x omgevingFragment uit het boek Progressiegericht werken

 

Als progressiegerichte professionals zijn we terughoudend in het gebruiken van het woord talent. Een van de twee redenen voor die terughoudendheid is dat het vaak onduidelijk is wat ermee bedoeld wordt. Als het woord gebruikt wordt bedoelen mensen er meestal één van de volgende twee dingen mee: ofwel presteren op hoog niveau (bijvoorbeeld prachtig gitaar spelen) of natuurlijke, aangeboren, aanleg. Woordenboeken definiëren talent meestal als ‘natuurlijke aanleg’. De conventionele manier van denken van psychologen, opleiders, ouders en managers is lang geweest (en is grotendeels nog steeds) dat talenten, in de zin van natuurlijke gaven, bestaan en een onafhankelijke invloed hebben op ons presteren en onze groei, dat individuen veel verschillen in deze natuurlijk gaven en dat deze talenten goede voorspellers van toekomstig functioneren zijn. Daarom wordt vaak geadviseerd om je talenten te identificeren en om die activiteiten te kiezen waarvoor je talent hebt. Maar onderzoek dat in de afgelopen decennia is uitgevoerd, heeft twijfel doen ontstaan over de mate waarin individuele verschillen in aangeboren talent wel zo’n belangrijke rol spelen. Laten we de meest onderzochte en vermoedelijk meest bediscussieerde menselijke capaciteit, intelligentie, eens bij wijze van voorbeeld onderzoeken. Hoe belangrijk is talent in de ontwikkeling van intelligentie?

 

In Intelligence and how to get it zet Richard Nisbett (2009) het bewijs op een rijtje voor de stelling dat intelligentie iets is dat je kunt verwerven. Hij laat zien: 1) dat er geen vastliggende waarde is voor mate van erfelijkheid van intelligentie. Omgeving kan een belangrijke rol spelen in verschillen in intelligentie tussen individuen en groepen, 2) dat erfelijkheid geen limiet stelt, op wat voor manier dan ook, aan de ontwikkelbaarheid van intelligentie, voor wie dan ook. Intelligentie is ontwikkelbaar en scholen kunnen kinderen slimmer maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van computerondersteund onderwijs en bepaalde vormen van coöperatief leren, 3) dat genen geen enkele rol spelen in IQ-verschillen tussen rassen, terwijl omgevingsfactoren dat wel doen, 4) dat erin geloven dat je je intelligentie kunt ontwikkelen een prima begin is om je intelligentie te ontwikkelen , 5) dat bepaalde gewoontes en waarden in culturen heel stimulerend of remmend kunnen zijn voor de ontwikkeling van intelligentie, 6) dat ouders veel kunnen doen om de intelligentie en schoolprestaties van kinderen te verbeteren (zowel biologische en didactische factoren doen er toe).

 

Dat genetica de ontwikkelbaarheid van intelligentie niet in de weg staat, blijkt onder andere uit het zogenaamde Flynn effect dat verwijst naar de gestage groei van gemiddelde IQ testscores over generaties (Flynn, 2007). Dit effect wordt waargenomen in de meeste delen van de wereld hoewel in zeer verschillende mate. Het is genoemd naar James R. Flynn, die het uitgebreid heeft gedocumenteerd. Deze toename is continu en ongeveer lineair vanaf de vroegste dagen van IQ testen tot aan de dag van vandaag. De toename in intelligentie is zo snel dat deze het idee ontkracht dat genetische factoren de ontwikkeling van IQ in de weg staan.

 

Jarenlang heeft in de psychologie de zogenaamde nature versus nurture discussie gewoed. Die discussie ging over de vraag wat nou belangrijker was voor de ontwikkeling van individuen: genen of omgevingsfactoren. Deze discussie is achterhaald. Genen zijn niet simpelweg de veroorzakers van ons gedrag, onze eigenschappen en onze capaciteiten. Wat we nu weten is dat genen voortdurend interacteren met een veelheid aan omgevingsfactoren. Het is die interactie die bepaalt hoe we zijn en hoe we worden. Er is steeds meer bewijs voor het feit dat omgevingsfactoren en gedrag een sterke invloed hebben op de manier waarop en mate waarin genen hun invloed uitoefenen. Wat wij doen, hoe we omgaan met elkaar, hoe we onze leef- en werkomgevingen inrichten en hoe we onszelf en anderen uitdagen hebben een enorme invloed op hoe we ons ontwikkelen. Het gaat dus niet om nature versus nurture maar om nature via nurture (Ridley, 2003). We kunnen vaarwel zeggen tegen genetisch determinisme en welkom tegen het interactionistische genen x omgevingsmodel.

 

Een dramatische demonstratie van de interactie tussen genen en omgeving dateert al uit 1958. Onderzoekers Cooper & Zubek (1958) deden een experiment met ratten. Ze werkten met twee groepen ratten: 1) doolhof-slimme ratten, ratten die consistent goed gepresteerd hadden in doolhoftaken, 2) doolhof domme ratten, ratten die consistent slecht hadden gepresteerd in doolhoven. Ze testten de prestaties van deze ratten in drie typen omgevingen: 1) verarmde omgevingen: zonder enige vorm van stimulatie, 2) normale omgevingen: met normale muren en een matige hoeveelheid aan oefening, en 3) verrijkte omgevingen: met muren gekleurd in heldere kleuren en veel stimulerende speelgoedjes. De grafiek hieronder toont hoe dramatisch het genen-omgevingsinteractie-effect was.

999

doolhofexperiment

 

In een normale omgeving was het verschil tussen beide soorten ratten heel groot. In een verarmde omgeving verdween dit verschil helemaal. Zowel de slimme als de domme ratten maakten erg veel fouten. In de verrijkte omgeving was het verschil tussen beiden soorten ratten zeer klein. Zowel de slimme als de domme ratten maakten veel minder fouten en presteerden dus veel beter dan in de normale en verarmde omgeving.

 

Laten we eens kijken naar wat dit experiment betekent voor mensen. Natuurlijk zijn er enorme verschillen tussen de kwaliteiten en prestaties van mensen te zien. Tegelijkertijd kunnen we ook zien dat er enorme verschillen zijn in de omgevingen waarin het ene individu en het andere individu opgroeien. Het doolhofexperiment suggereert dat de mate van stimulans die een omgeving biedt in ieder geval een belangrijke draaiknop is om prestaties te verhogen en ontwikkeling te stimuleren.

 

Maar wat betekent dit nu? Betekent dit dat individuele verschillen in intellect en in prestatie tussen mensen helemaal niet belangrijk zijn omdat iedereen alles kan leren en verschillen dus gemakkelijk en snel weg te werken zijn? Nee, dat betekent het zeker niet. Mensen kunnen enorm verschillen in de hoeveelheid kennis en vaardigheden die ze hebben. En die verschillen zijn vaak niet snel weg te werken. De reden is dat het opbouwen van diepgaande kennis en vaardigheden lang duurt.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (1)
  • Bruikbaar (1)