Ik-ben-denkenIk-ben-denken kan meer nadelen hebben dan we ons wellicht realiseren.

Hoe we denken en praten over onszelf en anderen kan veel invloed hebben op de emoties, het gedrag, de resultaten en de ontwikkeling van onszelf en anderen. Onderzoek van Mueller & Dweck (1998) heeft bijvoorbeeld laten zien dat het geven van verschillende soort complimenten heel verschillende effecten kan hebben. Het geven van een compliment over een eigenschap als intelligentie kan bij kinderen een statische mindset opwekken terwijl het geven van een compliment over de inspanning die een kind geleverd heeft een groeimindset kan opwekken.

Een manier van denken over onszelf waar we volgens mij voorzichtig mee moeten zijn is de “Ik ben …” manier van denken. Als ik dat zeg heb ik het niet over formuleringen als “ik ben blij” of “ik ben bezig”, met andere woorden formuleringen die een gemoedstoestand of een activiteit beschrijven. In het bijzonder heb ik het over drie vormen van ik-ben-denken die schadelijk kunnen zijn:

  1. Ik ben (eigenschap): Mensen kunnen zichzelf beschrijven in termen van negatieve of positieve eigenschappen. Dat jezelf beschrijven in termen van negatieve eigenschappen (Ik ben lui/dom/slecht e.d.) onverstandig is, spreekt misschien vanzelf. Door jezelf in termen van een negatieve eigenschap te beschrijven, schep je een statische mindset. Je zet jezelf in zekere mate vast in die eigenschap. Maar jezelf beschrijven in termen van positieve eigenschappen (ik ben intelligent, eerlijk, lief) kan hetzelfde probleem veroorzaken. Ook dit soort positieve labels kunnen immers een statische mindset opwekken. Als ik mijzelf het etiket ‘intelligent’ opplak, loop ik de kans dat ik gedrag ga vertonen dat erop gericht is om toch vooral intelligent te blijven overkomen. Zo kan ik bijvoorbeeld mijn eigen prestaties proberen zo gunstig mogelijk over te laten komen (en wellicht zelf daarover liegen). Ook kan ik uitdagingen uit de weg gaan uit angst dat ik het predicaat ‘intelligent’ anders verlies. En verder kan ik hard werken en doorzetten vermijden (intelligente mensen hoeven dat toch immers niet?).
  2. Ik ben (type mens): Mensen kunnen zich ook beschrijven als een bepaald type mensen (ik ben een echte binnenvetter, doener, ochtendmens, neuroot, etc.). Door dit te doen roep je opnieuw een statische mindset op. Door jezelf te vertellen dat je nu eenmaal een bepaald soort mens bent, belemmer je mogelijk je ontwikkeling. Door te verklaren dat je nu eenmaal zo bent, zet je jezelf vast en reduceer je jezelf onnodig. Jezelf op een dergelijk wijze typeren doet vaak geen recht aan hoe je als individu precies bent (het label is waarschijnlijk maar matige beschrijving van hoe je precies bent) en doet geen recht aan de ontwikkelbaarheid van mensen (hoe je bent is niet hoe je hoeft te blijven).
  3. Ik ben (lid van een groep): mensen kunnen zich ten slotte beschrijven als lid van een bepaalde categorie mensen (Ik ben zwart, wit, jood, christen, moslim, etc.). Door dit te doen loop je ook weer het risico jezelf vast te zetten en je eigen ontwikkeling te belemmeren. Natuurlijk kunnen mensen zich verbonden voelen met een godsdienst of een etnische groep. Maar het jezelf labelen naar die godsdienst of etnische groep kan onvoorziene nadelige effecten hebben. In de eerste plaats kan het afleiden van de realiteit dat je nog zoveel meer bent dat alleen lid van die groep. In de tweede plaats zijn we zelden volledig lid van een groep. De werkelijkheid is vrijwel altijd fuzzy. Met andere woorden: we zijn vaak in bepaalde mate lid van meerdere groepen tegelijk, zelfs als lijken die groepen geheel verschillend te zijn en op gespannen voet te staan met elkaar. Een Engels onderzoek liet bijvoorbeeld zien dat veel mensen die zichzelf beschreven als christen veel aspecten van deze godsdienst niet onderschreven. Het je labelen naar de godsdienst die je aanhangt kan wij-zij denken oproepen wat kan leiden tot grote spanningen tussen bevolkingsgroepen. In Noord-Ierland bijvoorbeeld is jarenlang een enorme strijd geweest tussen mensen die zich labelden als respectievelijk katholieken en protestanten. Deze enorme spanning is wel apart als je bedenkt dat alle individuen in de twee groepen ook veel met elkaar gemeen hadden (ze waren allen christen, Noord-Iers, en wereldburger, om er maar enkele te noemen). Het geweld in Noord-Ierland is grotendeels voorbij en ook de strikte associatie van mensen met ofwel het katholicisme of het protestantisme is snel aan het voorbij gaan (er is in Noord-Ierland, net als in veel andere landen een snelle stijging van het aantal niet-religieuze mensen). Ras of etniciteit is ook zo’n onderwerp waar zuiver groepslidmaatschap nauwelijks bestaat. We kunnen over iemand met bepaalde uiterlijke kenmerken bijvoorbeeld denken als: ‘dat is een Turk’. Maar in hoeverre is zo’n beschrijving nu juist als we ook weten dat die persoon in Nederland is geboren en woont? Denken in termen van zwarte en witte mensen (en zelfs in termen van zwarte en witte scholen) is nog zo’n voorbeeld. Raszuiverheid bestaat nauwelijks of niet en je kunt serieuze vraagtekens plaatsen bij het bestaan van menselijke rassen. Wat is dus de zin van het hanteren van dit soort discrete categorieën als we over individuen praten? Huidskleuren en allerlei andere menselijke kenmerken liggen op continua. Categorisch denken over mensen is dus veelal onrealistisch. En het is niet nodig. En het vergroot de kans op wij-zij denken. Dus wat schieten we ermee op? We hebben de optie om het niet te doen.

We kunnen een manier van praten aanleren die meer recht doet aan de individualiteit, de complexiteit en de ontwikkelbaarheid van mensen en die ook recht doet aan het feit dat de werkelijkheid vaak fuzzy is in plaats van georganiseerd in keurige hokjes. In plaats van te zeggen ‘Ik ben X’ kun je ook zeggen: ‘ik voel me wel verwant met X’, of ‘ik heb wel wat met X’,  of ‘X interesseert me wel’, of ‘X is één van de dingen waar ik me wel mee associeer’.

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (15)
  • Bruikbaar (7)