Mindware: tools for smart thinking9789057123993-480x600Update 22/09/’16: dit interessante boek is nu ook verkrijgbaar in het Nederlands onder de titel Denkkracht.

———————————————————————

Psycholoog Richard Nisbett heeft een nieuw boek geschreven getiteld Mindware: tools for smart thinking. Ik vind het een must-read voor studenten psychologie. Hier is mijn bespreking van het boek.

 

Als psychologiestudent in de jaren ’80 hoorde ik voor het eerst van het werk van Richard Nisbett. Samen met Lee Ross (die de term fundamentele attributiefout bedacht, waarover later meer) schreef hij de klassieker Human Inference (1980) over hoe mensen vuistregels gebruiken bij sociale oordeels- en besluitvorming en hoe we aan de lopende band systematische fouten maken in de manier waarop we gebeurtenissen en mensen beoordelen. Het werk van Nisbett & Ross bouwde voort op en was sterk verwant met het werk van Amos Tversky en Daniel Kahneman (auteur van Ons feilbare denken).

 

Nisbett was onder psychologen ook bekend vanwege werk dat hij had gedaan met zijn voormalige student Timothy Wilson over hoe veel mentale processen ontoegankelijk zijn voor ons bewustzijn. Vele jaren later kwam ik Nisbett weer tegen toen hij zijn boek Intelligence and how to get it (2009) had gepubliceerd. Hij stemde in met een interview per email met mij maar dit interview werd helaas nooit gepubliceerd omdat het halverwege werd afgebroken. In plaats daarvan schreef ik toen maar dit artikel over het boek.

 

Nisbetts nieuwe boek Mindware: tools for smart thinking (2015) behandelt veel onderwerpen die hij in het verleden al heeft behandeld. Het centrale idee in het boek is dat we onze persoonlijke en professionele levens kunnen verbeteren door kennis te nemen over effectieve oordeelsvorming en besluitvorming. In het begin van het boek legt Nisbett uit dat we de wereld niet waarnemen zoals die is. In plaats daarvan vallen we terug op schema’s, cognitieve kaders, mallen of regels, om betekenis te geven aan wat we tegenkomen. Twee problemen met deze schema’s (bijvoorbeeld stereotyperingen) zijn dat ze vaak niet of niet helemaal kloppen en dat we ons vaak niet van hen bewust zijn.

 

Een voorbeeld bij uitstek van schema’s zijn heuristieken, vuistregels (vaak onbewust toegepast) voor het oplossen van problemen. Nisbett bespreekt voorbeelden zoals (ik laat ze hier voor mijn gemak even onvertaald; je kunt ze eenvoudig googelen): the effort heuristic, the price heuristic, the scarcity heuristic, the familiarity heuristic, the representativeness heuristic, and the availability heuristic. Deze heuristieken zijn meestal behulpzaam maar ze zijn ook vrij grove strategieën die regelmatig leiden tot inaccurate oordelen.

 

Eén van de belangrijkste manieren, zo niet de belangrijkste, waarin we onszelf en anderen systematisch verkeerd beoordelen, is dat we de invloed op ons gedrag van situaties onderschatten en de situaties van persoonlijke kenmerken overschatten. Dit wordt de fundamentele attributiefout genoemd. Situaties zijn veel sterker van invloed op hoe we ons gedragen dan we ons realiseren. We onderschatten niet alleen het belang van subtiele factoren maar ook van factoren die heel duidelijk aanwezig zijn (zoals sociale rollen). De fundamentele attributiefout wordt trouwens niet overal en door iedereen in dezelfde mate gemaakt. We zijn iets minder geneigd om de fundamentele attributiefout te maken met betrekking tot ons eigen gedrag dan dat we dat doen bij het beoordelen van andermans gedrag. Ook is het zo dat Aziaten gemiddeld iets minder geneigd zijn om de fundamentele attributiefout te maken dan Westerlingen.

 

Terwijl het zo is dat veel van onze mentale processen onbewust verlopen en ontoegankelijk voor ons zijn, zijn we heel actief en creatief in het bedenken van verklaringen voor onze gedragingen en oordelen. Deze verklaringen, zoals vele onderzoeken hebben aangetoond, zijn vaak verkeerd. We kunnen factoren die ons gedrag daadwerkelijk beïnvloeden totaal over het hoofd zien en we kunnen totaal overtuigd zijn van het effect van factoren die ons gedrag helemaal niet hebben beïnvloed. We weten vaak niet waarom we doen en denken wat we doen en denken. Dat ons onbewuste brein heuristieken gebruikt die vaak niet erg betrouwbaar zijn, betekent niet dat ons onbewuste brein inferieur is aan ons bewuste brein. Op verschillende manieren is het zelfs superieur aan ons bewuste brein, zoals in het detecteren van complexe patronen en in het verwerken van informatie die niet gemakkelijk verbaal beschreven kan worden.

 

Nisbett besteedt vervolgens enkele hoofdstukken aan de wetenschap gedragseconomie waarbij hij concepten bespreekt als cost benefit analysis, the sunk cost rule, opportunity costs, loss aversion, the endowment effect, and choice architecture. Om er enkele kort toe te lichten: (1) the sunk cost rule is een rationeel maar tegenintuïtief principe dat zegt dat je alleen rekening moet houden met toekomstige kosten en opbrengsten van je keuzes en niet moet jammeren over gemorste melk (reeds gemaakte kosten), (2) the endownment effect is onze neiging om dingen die we bezitten te overwaarderen en (3) choice architecture: de manier waarop de keuzemogelijkheden presenteren heeft sterke invloed op hoe mensen uiteindelijk keuzes maken.

 

In het volgende deel van het boek bespreekt hij het belangrijke onderwerp statistiek. Twee belangrijke functies van statistiek zijn om fenomenen accuraat te beschrijven en om relaties tussen fenomenen accuraat te beschrijven. We maken normaal gesproken, zonder dat we daar erg in hebben, voortdurend uiteenlopende fouten in ons statistische oordelen. Eén daarvan is dat we geneigd zijn om onze oordelen op te weinig observaties te baseren. Nisbett wijst op het belang van de wet van de grote aantallen die zegt dat hoe meer observaties je maakt, hoe dichter je komt bij de werkelijke waarde van de variabele die je beoordeelt. Een andere fout is dat we vaak geen rekening houden met het verschijnsel regressie naar het midden wat betekent dat als een variabele bij de eerste meting extreem is, deze waarschijnlijk dichter bij het midden zal liggen bij een tweede meting.

 

Nog een ander probleem is confirmation bias: we hebben de neiging om alleen te kijken naar bewijs dat onze hypothese ondersteunt. Ook merken we zulk bewijs eerder op en onthouden we het beter. De confirmation bias draagt bij aan het feit dat we we vaak correlaties zien die er niet zijn. Een ander probleem is dat we correlaties die er wel zijn nogal eens over het hoofd zien, vooral wanneer we deze correlaties niet verwachten. We merken over het algemeen alleen onverwachte correlaties op als die behoorlijk sterk zijn en als de twee gebeurtenissen dicht bij elkaar liggen in tijd. De eerder genoemde representativeness heuristic ligt vaak ten grondslag aan de correlaties die we verwachten.

 

Vervolgens vergelijkt Nisbett de relatieve waarde van correlationele technieken en experimenten. Experimenten zijn veruit superieur. In experimenten wordt slechts 1 variabele gevarieerd wat het mogelijk maakt om conclusies over causaliteit te trekken. Verschillen die optreden tussen experimentele groepen en controlegroepen moeten worden veroorzaakt door de enige variabele die verschilde in die condities. Correlationele studies zijn een andere kwestie. Zoals veel mensen weten impliceren correlaties geen causaliteit. Het feit dat variabelen A en B met elkaar samenhangen betekent niet dat A B veroorzaakt. Er kunnen namelijk andere verklaringen voor de correlatie zijn. Het kan bijvoorbeeld ook zo zijn dat B A veroorzaakt. Of het kan zijn dat een derde variabele zowel A als B veroorzaakt.

 

Een specifieke correlationele techniek die heel populair is de economische wetenschap, de psychologie en de epidemiologie is multiple regressie analyse (MRA). Bij MRA probeer je een variabele waar je geïnteresseerd in bent (de criteriumvariabele) te voorspellen aan de hand van een aantal andere variabelen (de predictorvariabelen). Het idee achter MRA is dat je controleert voor alle variabelen die een invloed zouden kunnen hebben op de criteriumvariabele door achtereenvolgens hun correlaties uit de mix te filteren met de bedoeling zicht op de werkelijke causale relatie tussen de predictor en het criterium te krijgen. In de praktijk is het echter onwaarschijnlijk dat we in staat zullen zijn om alle beïnvloedende variabelen te bepalen en goed te meten. Het is niet realistisch om te verwachten dat we het hele web van causale relaties zullen weten te ontwarren. We zien dan ook dat bevindingen op basis van MRA onderzoek nogal eens sterk afwijken van bevindingen op basis van experimenteel onderzoek. Bij MRA is het zo dat vaak niet bestaande effecten worden gevonden en bestaande effecten verborgen blijven. Het boek bevat een paar sterke voorbeelden hiervan.

 

Zoals ik al vermelde zijn zelfrapportages over mentale processen vaak uiterst onbetrouwbaar. Maar ook resultaten uit enquêtes moeten met grote voorzichtigheid worden benaderd. Het probleem met enquêteresultaten gaat veel verder dan alleen het probleem van sociale wenselijkheid (de tendens om antwoorden te geven die je goed over laten komen). Het blijkt dat wat mensen antwoorden in enquêtes sterk afhangt van de manier waarop vragen gesteld worden. Een voorbeeld hiervan komt voort uit het referentiegroepeffect. Wanneer mensen niet expliciet gevraagd wordt om zichzelf met een referentiegroep te vergelijken dan zullen ze geneigd zijn om zichzelf te vergelijken met een referentiegroep die voor hen het meest in het oog springt.

 

Dit effect, in combinatie met de zogenaamde self-enhancement bias, die ook wel bekend staat als het Lake Wobegon effect, wat betekent dat mensen in de meeste culturen geloven dat zij superieur zijn aan de meeste anderen in hun groep, kan leiden tot vreemde bevindingen. Bijvoorbeeld: Italianen beschrijven zichzelf als meer consciëntieus dan Japanners. Maar research gebaseerd op gedragsbeoordelingen (in plaats van zelfrapportages) laat een ander plaatje zien. Zoals Nisbett zegt: “Hoe minder consciëntieus een natie is wanneer je het meet met gedragsbeoordelingen, hoe meer burgers zichzelf als consciëntieus beschrijven.”

 

In de rest van het boek bespreekt Nisbett onderwerpen zoals (1) logica en dialectisch redeneren; hij zegt dat er systematische verschillen zijn in de manieren waarop Oosterlingen en Westerlingen situaties en problemen benaderen (en de manier van Oosterlingen is in bepaalde opzichten volgens Nisbett superieur), (2) reductionisme en het spraakzaamheidsprincipe en (3) de opkomst en ondergang van postmodernistische zienswijzen in de wetenschap.

 

Mijn beoordeling: Het boek geeft een interessant en goed overzicht over het onderwerp menselijke oordeelsvorming. Voor psychologiestudenten vormt het een uitstekende introductie op dit belangrijke onderwerp; voor psychologen is het een goede manier om je kennis te onderhouden en op te frissen (ik vond bijvoorbeeld de reminder over de zwaktes van MRA nuttig om te lezen). De verspreiding van dit type kennis buiten de groep van psychologen is erg belangrijk. Het gebrek aan kennis over veel van wat er in dit boek is beschreven bij het grote publiek maakt mensen kwetsbaar voor beweringen die niet waar zijn. Er voor zorgen dat meer mensen kennis kunnen nemen van de concepten en bevindingen die in dit boek beschreven zijn kan mensen helpen om zichzelf te beschermen tegen beoordelingsfouten en tegen charlatans.

 

www.progressfocused.com

Volg me op twitter

Print Friendly, PDF & Email
Wat vind je van dit artikel?
  • Interessant (7)
  • Bruikbaar (3)